In de Surinaamse politiek bestaat een merkwaardige natuurwet: hoe groter de woorden, hoe kleiner de daden, en hoe sneller de microfoon ineens “defect” raakt zodra er echte vragen komen.
Bronto Somohardjo lijkt inmiddels een levend experiment van dat principe, want eerst klinkt het als een megafoon vol vuur, en daarna als een radio zonder batterij.
Het begint vaak met stoere taal, stevige beschuldigingen en een flinke dosis politieke spierballentaal, maar zodra onderzoeken op tafel verschijnen, verandert de toon van opera naar fluisterstand. Eerst is er conflict met Ronnie Brunswijk, daarna met Chandrikapersad Santokhi, en uiteindelijk zelfs met het Openbaar Ministerie. Als dit een sport was, zou het een estafette zijn van ruzies, waarbij het stokje telkens wordt doorgegeven aan de volgende tegenstander.
Het komische zit niet in de beschuldigingen zelf, maar in de volgorde van verontwaardiging. Eerst moet er onderzoek komen, luid en duidelijk, want transparantie is heilig. Dan komt het onderzoek, wordt het gelezen, bekeken en netjes afgeleverd… en plotseling is het enthousiasme verdwenen alsof iemand de stekker eruit trekt. Daarna komt de procureur-generaal in beeld, en ineens verandert de held van transparantie in een criticus van het systeem.
Het publiek kijkt toe alsof het een langlopende serie is, waarin elke aflevering eindigt met een cliffhanger: wie is morgen de boosdoener? De politiek wordt zo geen plek van oplossingen, maar een podium waar rollen wisselen sneller dan kostuums in een theaterstuk.
Misschien is dat de echte les: niet alles wat hard klinkt, is sterk, en niet elke stilte is wijsheid; soms is het gewoon iemand die zijn eigen echo eindelijk heeft ingehaald.
