Twintig jaar praten. Twintig jaar rapporten. Twintig jaar “nu gaan we het echt aanpakken”. De goudsector is geen sector meer, het is een toneelstuk met dezelfde acteurs en dezelfde slechte tekst. Alleen de prijs van goud stijgt. De opbrengst voor het land? Die blijft ergens hangen tussen een vergadering en een lunch.
De president ontdekt opnieuw dat er meer geld in goud zit. Verrassing. De mijnwerkers weten dat al jaren. De illegale sector ook. Die telt dagelijks, zonder audit, zonder speech, zonder powerpoint. Daar wordt gewerkt. Daar wordt verdiend. De staat staat erbij en noteert.
Audit moet beter, zegt men. Natuurlijk. Alsof een papieren controle indruk maakt op mannen met graafmachines in het bos en zakken cash onder het bed. De enige audit die daar telt is hoeveel kilo vandaag uit de grond komt en wie het morgen verkoopt.
En dan de oplossing: royalty omlaag. Minder vragen om meer te krijgen. Dat is geen beleid, dat is onderhandelen met jezelf en verliezen. Alsof een dief meer gaat afgeven omdat je hem vriendelijk vraagt.
De echte absurditeit zit ergens anders. De overheid praat met de sector alsof het partners zijn, terwijl iedereen weet dat een groot deel buiten het systeem draait. Je overlegt niet met een schaduw, je jaagt er licht op. Maar licht is gevaarlijk. Licht laat zien wie er allemaal meedoen.
Iedereen kent het probleem. Iedereen kent de oplossing. Maar de oplossing snijdt in macht, geld en netwerken. Dus blijft het bij woorden. Woorden zijn veilig. Woorden kosten niets. Woorden leveren niets op.
De conclusie is simpel: in Suriname wordt goud niet alleen uit de grond gehaald, maar ook uit het systeem gehaald. En zolang praten meer oplevert dan handelen, blijft het land rijk aan goud en arm aan resultaat.
