“Als iemand rijk is geworden tijdens zijn ambtstermijn, dan had hij andere manieren.” Het is een zin die klinkt als beleid, maar functioneert als rookgordijn. In de Surinaamse politieke praktijk is rijkdom nooit het gevolg van het ambt zelf, maar altijd van mysterieuze “andere manieren” die toevallig precies samenvallen met de periode van dienstbaarheid.
De formule is eenvoudig: een minister begint bescheiden, rijdt een tweedehands wagen en spreekt over offers. Na enkele jaren verlaat hij het ambt met vastgoed, bedrijven en buitenlandse rekeningen. De verklaring blijft identiek: hard gewerkt, goed geïnvesteerd, niets te maken met de functie. Vragen stellen is ongepast, want vertrouwen is het fundament van bestuur. Transparantie wordt gezien als wantrouwen, en wantrouwen als aanval op de staat.
Controlemechanismen bestaan op papier, maar functioneren als ceremonie. Commissies vergaderen, rapporten worden aangekondigd, maar zelden afgerond. Wanneer cijfers ontbreken, spreekt men van “lopende evaluaties”. Wanneer cijfers verschijnen, ontbreekt de context. Het systeem beschermt zichzelf door complexiteit te creëren waar eenvoud nodig is.
De samenleving heeft zich aangepast. Burgers zien de patronen, maar reageren met berusting. De redenering is praktisch: als niemand vraagt waar het geld vandaan komt, blijft de rust bewaard. Politiek wordt zo een gesloten circuit waarin loyaliteit belangrijker is dan verantwoording.
De ironie is dat niemand officieel rijk wordt van het ambt, maar vrijwel iedereen zichtbaar beter af is na afloop. Het ambt zelf blijft “arm”, terwijl de ambtsdrager floreert. Zo blijft de uitspraak technisch correct, maar inhoudelijk leeg.
In dit bestel is rijkdom geen vraagstuk van bewijs, maar van timing. Wie rijk wordt vóór zijn ambt is succesvol. Wie rijk wordt erna, had blijkbaar al talent. En wie vraagt hoe, begrijpt de spelregels niet.
