De gedachte dat het benadelen van de staat een abstract vergrijp is, vormt de kern van het probleem. De staat is geen anoniem instituut. De staat is de optelsom van ongeveer 600.000 burgers. Wie de staat benadeelt, benadeelt direct de samenleving. Dat besef ontbreekt structureel, en de herhaling van schandalen bevestigt dat falen.
De casussen rond de Melkcentrale, Bacovenbedrijf Jarikaba en recent Canawaima tonen een patroon. Toezichthouders en bestuurders gedragen zich niet als hoeders van publieke middelen, maar als actoren met eigen belangen.

Dat is geen incident, maar een systeemfout. De oorzaak ligt primair in de wijze van benoeming. Posities binnen Raden van Commissarissen worden in de praktijk verdeeld via politieke voordrachten. Coalitieverhoudingen bepalen wie toezicht houdt op staatsbedrijven.
Competentie en integriteit worden ondergeschikt gemaakt aan loyaliteit en partijbelang. Daarmee wordt het toezicht zelf uitgehold nog voordat het begint.
Juridisch is de positie van een Raad van Commissarissen helder. RvC-leden worden benoemd door de aandeelhouder, vaak vertegenwoordigd door de staat. Diezelfde aandeelhouder heeft in beginsel ook de bevoegdheid om hen te schorsen en te ontslaan, afhankelijk van de statuten en de toepasselijke wetgeving.
Er bestaat dus geen onschendbaarheid. Het probleem is niet het ontbreken van instrumenten, maar het gebrek aan consequent gebruik ervan.
Wanneer ministers spreken over “vragen tot aftreden” in plaats van formele ontslagprocedures, ontstaat verwarring. Toezicht wordt gepresenteerd als vrijblijvend, terwijl het juridisch afdwingbaar is.
De minister draagt directe verantwoordelijkheid. Wie voordrachten accepteert, neemt die verantwoordelijkheid volledig over.
Het argument dat benoemingen uit politieke hoek komen, ontslaat de minister niet van zijn plicht tot toetsing.
Onkunde, belangenverstrengeling of falend toezicht vallen daarmee onder ministeriële verantwoordelijkheid. Wanneer vervolgens wordt gesteld dat anderen falen, is dat feitelijk een erkenning van eigen falend toezicht.
De verantwoordelijkheid stopt daar niet. De president staat aan het hoofd van de regering en draagt eindverantwoordelijkheid voor het functioneren van het staatsapparaat.
Het nemen van directe maatregelen tegen vermoedelijke malversaties is noodzakelijk, maar onvoldoende als het systeem dat deze situaties produceert intact blijft. Personen die verdacht zijn van integriteitsschendingen kunnen niet gelijktijdig andere publieke functies blijven bekleden. Dat ondermijnt elk signaal van handhaving en tast de geloofwaardigheid van de staat aan.
De kern van het probleem is een cultuur waarin publieke middelen worden gezien als onderhandelbaar.
Zolang politieke benoemingen zonder strikte integriteitstoets blijven bestaan, zal dit patroon zich herhalen.
De gevolgen zijn concreet: verlies van vertrouwen, financiële schade en een staat die haar gezag verliest. Dat is geen abstract risico maar een aantoonbare realiteit.
Het standpunt is ondubbelzinnig. RvC-leden moeten strikt worden geselecteerd op basis van deskundigheid en integriteit, met transparante procedures. Ontslagbevoegdheden moeten zonder terughoudendheid worden toegepast bij falen of verdenking van belangenverstrengeling.
Ministers moeten publiek verantwoording afleggen voor elke benoeming.
De president moet haar omgeving actief zuiveren wanneer die haar op het verkeerde been zet, ongeacht politieke consequenties.
De conclusie is eenvoudig. Wie de staat benadeelt, steelt van de samenleving. Wie dat toestaat, faalt in zijn functie. Bestuur is geen privilege, maar een verplichting met consequenties. Wie die consequenties niet kan dragen, hoort niet op die positie.
