Brandstofbeleid als dekmantel voor structureel falen

Advertisement

Het huidige brandstofbeleid wordt verkocht als bescherming van de samenleving, maar functioneert in werkelijkheid als een mechanisme dat structurele scheefgroei in stand houdt. De price cap wordt gepresenteerd als schild tegen internationale schokken, terwijl de regering bewust nalaat om binnenlandse controlepunten te benutten. Dat is geen beperking van capaciteit, maar een politieke keuze.

De rol van Staatsolie is hierin cruciaal. Wanneer een aanzienlijk deel van de brandstof lokaal wordt geproduceerd of geleverd, is het argument dat prijsdruk volledig extern bepaald wordt, aantoonbaar onjuist. De staat heeft directe invloed op kostprijsstructuren en distributie. Dat deze invloed niet wordt ingezet om gerichte verlichting te bieden aan burgers, wijst op prioriteitsstelling, niet op onvermogen.

De kern van het falen ligt in de goudsector. Deze sector verbruikt disproportioneel veel brandstof, opereert deels buiten zicht en betaalt onvoldoende terug in de vorm van belastingen. Tegelijkertijd worden goudprijzen internationaal verhandeld tegen maximale marktwaarde. Dat betekent dat winsten volledig worden geoptimaliseerd, terwijl kosten kunstmatig laag blijven door gebrek aan fiscale correctie. Dit is economisch incoherent en politiek gemotiveerd.

Het uitblijven van een gescheiden brandstofsysteem is daarom niet technisch, maar strategisch. Systemen met gekleurde brandstof en digitale tracking bestaan al decennia en worden toegepast in landen met vergelijkbare grondstofstructuren. Het maakt exact zichtbaar wie wat verbruikt en voorkomt dat zwaar verbruik wordt gesubsidieerd door de algemene bevolking. Dat deze instrumenten niet worden ingevoerd, betekent dat transparantie actief wordt vermeden.

De consequentie is voorspelbaar. De overheid kiest voor uniforme prijsverhogingen, omdat die administratief eenvoudig zijn en weinig weerstand bieden vanuit machtige sectoren. De rekening wordt doorgeschoven naar huishoudens en kleine ondernemers, die geen onderhandelingspositie hebben. Dit is geen economische noodzaak, maar een herverdeling van lasten naar de zwakste schakel.

Het argument van “onvermijdelijke prijsstijgingen” is analytisch ondeugdelijk. Prijsstijgingen zijn alleen onvermijdelijk binnen een systeem dat weigert zichzelf te corrigeren. Zodra differentiatie wordt ingevoerd en grootverbruikers proportioneel worden belast, ontstaat directe ruimte om de druk op de consument te verlagen. Het ontbreken van deze correctie betekent dat het huidige beleid niet gericht is op rechtvaardigheid, maar op behoud van bestaande machtsverhoudingen.

Wat hier zichtbaar wordt, is geen tijdelijk beleidsprobleem maar een structureel patroon. De goudsector fungeert als onaantastbare zone binnen het economisch beleid. Zolang politieke belangen en informele netwerken zwaarder wegen dan fiscale discipline, blijft elke hervorming oppervlakkig. Beleidsretoriek vervangt inhoudelijke actie.

De realiteit is eenvoudig: de staat weet waar de brandstof naartoe gaat, maar kiest ervoor om die kennis niet te operationaliseren. Zolang die keuze blijft bestaan, zal elke discussie over prijsbeleid een afleidingsmanoeuvre blijven. De consument betaalt niet omdat het moet, maar omdat het systeem zo is ingericht.

error: Kopiëren mag niet!