Volgens olie-experts is het huidige prijsbeleid inconsistent en politiek gestuurd. De regering stelt dat zij de price cap beschermt tegen externe schokken, maar negeert interne structurele factoren. Staatsolie levert een aanzienlijk deel van de brandstof voor de binnenlandse markt. Dat betekent dat prijsdruk niet uitsluitend extern bepaald wordt, maar ook nationaal beheersbaar is.

De kern van het probleem ligt in de allocatie. Een groot deel van de brandstofconsumptie vindt plaats in de goudsector. Deze sector opereert grotendeels buiten een transparant belastingkader, terwijl de eindproducten wel tegen internationale marktprijzen worden verkocht. Dat creëert een scheve situatie: opbrengsten zijn marktconform, maar inputkosten blijven relatief laag en onvoldoende belast.
De presidentiële uitleg blijft oppervlakkig doordat deze realiteit niet wordt benoemd. Het gevolg is dat de indruk ontstaat dat prijsstijgingen onvermijdelijk zijn, terwijl er beleidsruimte bestaat. Een correctie zou moeten beginnen bij differentiatie van brandstofstromen. Technisch is dit uitvoerbaar via gekleurde brandstof en barcode-systemen.
Daarmee kan exact worden vastgesteld welke sector welke volumes verbruikt.
Op basis van deze data kan een gericht belastingmodel worden ingevoerd. De goudsector betaalt dan proportioneel voor haar verbruik, terwijl huishoudens en kleine ondernemers worden ontzien. Dit is geen theoretisch model, maar een toegepast systeem in meerdere grondstofeconomieën.
Zolang deze scheiding niet wordt gemaakt, blijft het beleid generiek en inefficiënt. De lasten verschuiven automatisch naar de consument, omdat dat administratief eenvoudiger is. Dat is geen economische noodzaak, maar een beleidskeuze.
Het argument dat prijsverhogingen onvermijdelijk zijn, houdt alleen stand bij gebrek aan structurele hervorming. Zodra politieke belangen in de goudsector zwaarder wegen dan fiscale rechtvaardigheid, blijft de kleinverbruiker de sluitpost.
