Hoge Raad beslist op 23 maart over geldtransport van €19,5 miljoen uit Suriname

De Hoge Raad der Nederlanden bericht dinsdag in een uitgebracht persbericht, dat het strafvorderlijk beslag op een geldtransport van €19,5 miljoen vanuit Suriname terecht is opgeheven wegens staatsimmuniteit. Dat is de conclusie van advocaat-generaal Taru Spronken in een zaak waarin de rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld over een klaagschrift dat was ingediend door (onder andere) de Centrale Bank van Suriname. 

De rechtbank verklaarde het klaagschrift gegrond en gelastte de teruggave van een geldzending uit Suriname die op 17 april 2018 op Schiphol in beslag was genomen en als eindbestemming Hongkong had. Volgens de rechtbank was het beslag in strijd met het internationaal publiekrecht (volkenrecht) gelegd. Dit oordeel is volgens advocaat-generaal Spronken juist, zodat zij de Hoge Raad adviseert het cassatieberoep dat door het openbaar ministerie is ingesteld te verwerpen.

Het inbeslaggenomen geld bestond uit contante eurobiljetten van drie Surinaamse handelsbanken. Het werd in opdracht van de Centrale Bank van Suriname via luchthaven Schiphol verstuurd naar de Bank of China in Hongkong. De achtergrond daarvan is dat meer contant geld Suriname binnenkomt dan dat het land uitgaat en de Centrale Bank van Suriname het overschot dat zo ontstaat omzet in giraal geld. Daarvoor heeft de Centrale Bank van Suriname een overeenkomst gesloten met de Bank of China, die na ontvangst van de contante euro’s deze giraal terugboekt naar de rekening die de Centrale Bank van Suriname aanhoudt bij De Nederlandsche Bank. Vanuit hier worden vervolgens de handelsbanken in Suriname gecrediteerd.

Het Openbaar Ministerie vermoedde dat er sprake was van witwassen en legde daarom op 13 april 2018 beslag op de geldzending. De handelsbanken zijn als verdachten aangemerkt en worden verweten dat zij geen of onvoldoende toezicht hebben gehouden op de daadwerkelijke herkomst van de contante gelden. De Centrale Bank van Suriname is niet als verdachte aangemerkt. Tegen het beslag hebben de handelsbanken en de Centrale Bank van Suriname vervolgens een klaagschrift ingediend.

Centrale Bank is belanghebbende

De rechtbank beantwoordt in haar beschikking eerst de vraag of de Centrale Bank belanghebbende is, met andere woorden of de Centrale Bank zich kan beklagen over het gelegde beslag. Het Openbaar Ministerie bestrijdt dit, omdat het beslag niet onder de Centrale Bank is gelegd, het geld niet haar eigendom is en de Centrale Bank de gelden niet zelf vervoerde maar liet vervoeren. De rechtbank oordeelt, dat de Centrale Bank zich wel kan beklagen over het beslag en merkt haar als beslagene aan, omdat de bank opdracht heeft gegeven tot het vervoer en de correspondentie over de inbeslagname steeds gericht is geweest aan de bank.

Vervolgens oordeelt de rechtbank, dat het geld niet in beslag genomen had mogen worden, omdat de Centrale Bank van Suriname een staatsorgaan is dat volgens het internationaal recht (volkenrecht) immuniteit geniet. Met de geldzending voerde de Centrale Bank een wettelijke taak uit, waaronder het verzorgen van de geldomloop in Suriname en het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer. Daarom geniet zij immuniteit van strafvorderlijk beslag voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die zij onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak. Dat het geld niet aan de Centrale Bank in eigendom toebehoort, maakt dat niet anders.

Het cassatieberoep

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie beroep ingesteld bij de Hoge Raad. In deze cassatieprocedure wordt voor het eerst van de Hoge Raad een oordeel gevraagd over de aan het volkenrecht ontleende immuniteit van jurisdictie (art. 8d Sr) in relatie tot de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie strafvorderlijk beslag te leggen onder een vreemde staat.

Naar het oordeel van de advocaat-generaal heeft de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk geoordeeld, dat de Centrale Bank als beslagene dient te worden aangemerkt. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld, dat de geldzending in opdracht van de bank door de vliegtuigmaatschappij KLM naar de luchthaven Schiphol in Nederland is gevlogen, waar de zending in beslag is genomen. De feitelijke beschikkingsmacht lag daarmee dus niet meer bij de Centrale Bank van Suriname, maar bij de KLM die de geldzending vervoerde en in zijn kluis had opgeslagen. Tot vernietiging van het oordeel van de rechtbank leidt dit volgens de advocaat-generaal niet, omdat de rechtbank hoe dan ook de bank terecht als belanghebbende heeft aangemerkt. Daarvoor is volgens haar van belang, dat de Centrale Bank namens de handelsbanken, de eigenaren van het geld, optrad en de Centrale Bank niet alleen krachtens overeenkomst met de Bank of China een belang heeft bij de beschikkingsmacht over de in beslag genomen geldbedragen maar dat ook heeft vanuit haar publieke wettelijke taak als Centrale Bank.

Daarnaast is de advocaat-generaal van mening, dat de rechtbank terecht de positie van klaagster als staatsorgaan van Suriname tot uitgangspunt heeft genomen en kan zij zich ook vinden in het oordeel van de rechtbank dat door het gelegde beslag de Centrale Bank, als staatsorgaan, niet meer haar publieke taak op het gebied van het monetair beleid van Suriname kan vervullen. Dat is in strijd met het internationaal gewoonterecht dat immuniteit voor strafrechtelijk ingrijpen toekent aan vreemde staten. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad het beroep van het Openbaar Ministerie te verwerpen.

Uitspraak Hoge Raad

De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 23 maart 2021.

error: Kopiëren mag niet!
%d bloggers liken dit: