Dat zeggen wij niet, maar het is een richting die de Grondwet van ons verlangt dat we opgaan. In het geschil dat is ontstaan tussen de BvL en het Minov is door de minister gezegd dat hij bezwaar heeft tegen de houding van de bond dat die alles op het ministerie wil bepalen. Een houding om mede te bepalen, dienen werknemersvertegenwoordigers te hebben. Een bekende politicus had het daarover toen hij rond 01 mei 2014 een lezing hield over de inspraak van werknemers. Zijn boek over ondernemingsraden handelt immers ook daarover. De sociale doelstellingen van de Staat zijn gericht op o.a. het bevorderen van medezeggenschap van de medewerkers in bedrijven en werkeenheden bij het nemen van beslissingen omtrent de productie, de economische ontwikkeling en de planning, bepaalt de Grondwet. Onze grondwet duwt bedrijven en organisaties richting participatie en inspraak. Veel bedrijven en organisaties zijn in hun ontwikkeling en hun koloniale benadering niet zover. Een antivakbondshouding komt dan aan de oppervlakte boven drijven. Jammer genoeg zien we deze vijandige houding niet alleen in het bedrijfsleven, maar de laatste tijd veel bij de ministeries. Ministers zijn bang voor bonden en zien ze liever gaan dan komen. Ministers weten zich geen houding aan te nemen tegenover werknemersvertegenwoordigers. In het geval van de Minov-minister hebben wij ook een vijandige houding tegenover de BvL gemerkt. Nu moet wel gezegd worden dat in het onderhavige geval van de zwangere leerkrachten de bond wellicht te snel gegrepen heeft naar het uiterste middel, althans dat de bond in zijn voorafgaande communicatietraject niet veel heeft los heeft gelaten voor de media. De indruk bestaat echter niet dat de bond omtrent het zwangerschapsgeval getracht heeft gedurende enige tijd om communicatie op gang te brengen. De minister vond de staking te abrupt uitgeroepen en is toen dus ook zijn eigen ding gaan doen. Een korte lont is geen teken van goed ministerschap. Adviseurs van de minister verdienen in deze geen prijs als de gang naar de rechter in kort geding van hun komt. Er is echter op het Minov recent ten minste een hoge benoeming geweest van een persoon, die soms heel radicaal en wat men noemt koloniaal uit de bocht kan komen. Fratsen zijn van hem uit het verleden wel bekend, waarbij soms zelfs getwijfeld werd aan bepaalde vermogens. Het is aan te raden dat de minister zich niet door avonturiers en mensen die de confrontatie graag opzoeken, laat adviseren. De minister is heel wijselijk teruggefloten door de DNA-commissie onderwijs, die liever om de tafel deze zaak wil gaan oplossen. Kennelijk had de minister gisteren al voor onderwijs gezorgd als hij de bond had uitgenodigd. De beslissing van de DNA-commissie om de zaak eerst te bespreken, is getuige ervan dat het besluit om de zaak direct naar de rechter te brengen ondoordacht was. De minister moet op dit ministerie, dat voor het overgrote deel bestaat uit mondige ambtenaren vanwege een bepaalde scholing, berekend zijn voor djoegoedjoegoe en hij weet nu waar hij niet moet gaan voor advies. Naast de correcte houding in de arbeidsverhoudingen op dit ministerie met gebundelde ambtenaren, speelt in de BvL-kwestie op zich ook de zaak van het zwangerschapsverlof. Onze grondwet is over het koesteren van de reproductieve functie van de Surinaamse vrouw heel duidelijk. Het is de plicht van de Staat om de voorwaarden voor werk, beloning en rust, waartoe de werknemers gerechtigd zijn, aan te geven, in het bijzonder door bijzondere bescherming te verlenen op het werk voor vrouwen tijdens en na de zwangerschap. De Grondwet heeft het over beloning en bijzondere bescherming. Voorts bepaalde de Grondwet dat werkende vrouwen recht hebben op zwangerschapsverlof, met behoud van loon of salaris. In de publieke sector heeft deze grondwetsbepaling haar beslag uiteindelijk gevonden in het vrijstellingsbesluit voor de landsdienaren. In principe is de aanspraak van de zwangere ambtenaar primair op de bezoldiging en dat is het basisloon. Indertijd zijn er exercities geweest om zoveel mogelijk toelagen te ‘bruteren’ in de basisbezoldiging. Nu zijn de meningen verdeeld met betrekking tot het stuk van de lesurenvergoeding of –toelage. Cruciaal bij deze is de vraag of deze toelage het karakter heeft van een beloning of van een onkostenvergoeding. In het eerste geval is het onderdeel, een aspect, van het loon en dienen ambtenaren aanspraak daarop te hebben als men aanspraak heeft op bezoldiging. Heeft het een karakter van een onkostenvergoeding, dan hangt het af van de daadwerkelijke situatie of inderdaad de onkosten worden gemaakt. De lesurenvergoeding of –toelage lijkt veel eerder het karakter van een beloning dan van een onkostenvergoeding te hebben. Bij zwangerschapsverlof zou het dus moeten worden uitgekeerd aan de leraar. Uit de strenge houding die de minister en delen van de gemeenschap hebben tegenover de leraren, vloeit een houding voort die vijandig is voor de door de Grondwet gekoesterde zwangerschap. De zwangerschap is niet een individuele aangelegenheid van een vrouw en een man, maar vraagt bij zijn bestaan nationale en internationale erkenning. Er zijn verdragen waar Suriname soms partij bij is en soms niet, die benadrukken hoe lang zwangerschapsverlof zeker moet duren en dat het ook betaald moet zijn. Met betrekking tot de hoogte wordt in internationale normen vastgesteld dat de uitkering voldoende en op niveau moet zijn, zodat de zwangere en zogende vrouw en haar kind niet in enige mate in gevaar moet komen. Waarom wenst een Onderwijsminister en een deel van het publiek (waaronder vrouwen) een vijandige houding aan te nemen tegenover zwangere leraren? Is men gebaat bij een gebrekkige zorg van moeder en kind? Bij een vergelijking blijkt dat wat nationaal geldt in Suriname voor de leraren en andere ambtenaren, tekort schiet tegenover wat internationaal breed is geaccepteerd. Daarom is er geen ruimte voor Minov noch voor de burgerij om tegenover moeders en aankomende kinderen onrechtmatig te bezuinigen en hun gezondheid in gevaar te brengen.
