In de politiek hoor je soms uitspraken die meer vragen oproepen dan antwoorden geven. Dat lijkt nu ook het geval bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Minister Melvin Bouva zegt dat er een tekort is aan personeel op het hoofdkantoor. Tegelijkertijd staan er volgens medewerkers veel mensen op de zogeheten TB-lijst, wat betekent dat zij ter beschikking zijn gesteld. In de praktijk komt dat er vaak op neer dat zij thuis zitten en geen werk doen.
Tegelijk zegt de minister dat er geen geld is om nieuwe diplomaten naar het buitenland te sturen. Zo’n plaatsing kost namelijk veel geld, soms miljoenen Amerikaanse dollars over een periode van enkele jaren. Toch worden er regelmatig nieuwe mensen geselecteerd die pas kort een cursus diplomatie of economie hebben gevolgd. Zo’n cursus levert meestal alleen een certificaat op, geen volledige academische opleiding.
Volgens een ervaren diplomaat die anoniem wil blijven, is dit een bekend probleem. “Diplomatie is geen vak dat je in een paar weken leert. Het vraagt jaren ervaring, kennis van internationale politiek en contacten in verschillende landen. Zonder dat netwerk is het moeilijk om investeerders of handelspartners aan te trekken.”
Critici wijzen erop dat dit systeem al langer bestaat. Ook onder oud-minister Albert Ramdin werd volgens hen vaak gekozen voor politieke benoemingen. Het resultaat is volgens hen beperkt geweest. Er zijn weinig concrete investeringen naar Suriname gekomen via diplomatieke posten.
Satirisch zeggen sommige waarnemers dat een diplomatieke post soms lijkt op een “vijfjarige betaalde wereldreis”. In werkelijkheid zou diplomatie juist moeten draaien om economische kansen, handel en internationale samenwerking.
De vraag blijft daarom of Suriname kiest voor professionele diplomatie of voor politieke accommodaties. Volgens experts bepaalt juist dat verschil of buitenlandse posten echt voordeel opleveren voor het land.
