Het is opmerkelijk hoe snel een land zijn eigen kunnen lijkt te vergeten. Suriname, ooit gepresenteerd als toekomstige “voedselschuur van de Caribbean”, zou plotseling niet meer beschikken over voldoende kennis, middelen of mankracht om zelf landbouw te bedrijven. Wat er in tien jaar precies verloren is gegaan, blijft onduidelijk. Expertise verdwijnt namelijk niet vanzelf uit de bodem.
In plaats daarvan worden nu mennonieten binnengehaald. Volgens de plannen zullen zij gewassen produceren zoals maïs, soja en sorghum. Interessant, want geen van deze producten vormt het basisvoedsel van de gemiddelde Surinamer. Rijst, cassave en groenten spelen een veel grotere rol. Voor wie wordt hier eigenlijk geproduceerd?
Daarnaast roept de komst van deze gemeenschap fundamentele vragen op. mennonieten staan internationaal bekend als relatief gesloten gemeenschappen met eigen structuren voor onderwijs, zorg en veiligheid. De vraag is dus niet onredelijk: in hoeverre zullen Surinaamse wetten, zoals het Burgerlijk Wetboek en de leerplicht daadwerkelijk worden toegepast? Of ontstaat er een parallel systeem, buiten het zicht en bereik van de staat?
Minstens zo belangrijk is de kwestie van grondrechten. De gebieden die in beeld zijn, hebben direct binding met de leefomgeving van inheemse- en marrongemeenschappen. Duidelijkheid hierover ontbreekt grotendeels.
Opmerkelijk genoeg stelt een woordvoerder van N.V. Braganza dat de gemeenschap “niet gesloten” is en wel degelijk deel zal uitmaken van de samenleving. Dat klinkt geruststellend, maar zonder concrete garanties blijft het bij loze woorden.
De kernvraag blijft overeind. Bouwen we aan een duurzame nationale landbouwsector, of importeren we een oplossing die vooral nieuwe vragen en problemen oproept?
