Iedereen weet het, maar niemand zegt het hardop: de illegale goudsector is geen losstaand economisch probleem meer, maar een broeinest van zwaarbewapende criminaliteit. Dit zijn geen kleine overtreders of overlevingszoekers. Dit zijn georganiseerde groepen met wapens, geld en territoriumdrang.
De president bevestigt het. De minister van Justitie en Politie bevestigt het. Maar bevestigen zonder handelen is niets meer dan publiekelijk toegeven dat de staat de controle kwijt is.
Recent is een politieagent doodgeschoten. Dat is geen incident, dat is een signaal. Een directe aanval op het gezag van de staat. En wat volgt? Geen duidelijke strategie, geen zichtbare escalatie van optreden, geen daadkracht. In plaats daarvan: overleg, beleid, commissies, verklaringen.
Terwijl in het binnenland de realiteit zich niet laat vangen in beleidsdocumenten, maar wordt bepaald door kogels, intimidatie en wetteloosheid.
Suriname is feitelijk verdeeld. Niet officieel, maar praktisch. Er is een deel waar wetten gelden, waar burgers zich onderwerpen aan regels en waar de staat zichtbaar aanwezig is. En er is een deel waar het recht van de sterkste geldt. Waar goud, wapens en angst de dienst uitmaken. Dat tweede deel groeit. Niet omdat het sterker is, maar omdat de staat zwakker optreedt.
Het centrale gezag heeft daar geen overwicht meer. Dat is de kern van het probleem. De politie is onderbemand, onderbewapend en logistiek beperkt. Dat is geen verwijt aan individuele agenten, maar een structureel falen van beleid. Je stuurt geen ondergefinancierde eenheden naar gebieden waar zwaarbewapende groepen opereren alsof het gewone criminaliteit betreft. Dit is geen gewone criminaliteit meer.
De vraag die vermeden wordt, moet gesteld worden: waarom wordt het nationaal leger niet ingezet? Het leger beschikt over betere wapens, training en logistieke capaciteit. Precies wat nodig is in gebieden waar de staat de controle dreigt te verliezen. Het niet inzetten van die capaciteit is geen neutraliteit, maar nalatigheid. Als de staat weet dat er gewapende groepen opereren die de orde ondermijnen, dan is niet ingrijpen een bewuste keuze.
Deze groepen moeten niet langer behandeld worden als illegale goudzoekers, maar als wat ze in de praktijk zijn: georganiseerde, gewapende netwerken die het staatsgezag uitdagen. In elk functionerend land wordt dat beschouwd als een veiligheidsdreiging van het hoogste niveau.
Het falen op dit dossier legt een bredere zwakte bloot. Als de staat haar eigen grondgebied niet effectief kan controleren, wat gebeurt er bij een externe dreiging? Wat als het geen binnenlandse groepen zijn, maar een georganiseerde invasie? Is het antwoord dan opnieuw overleg en beleid vanuit vergaderkamers met airco?
Terwijl er foto’s worden gemaakt, plannen worden gepresenteerd en woorden worden gewogen, groeit buiten het zicht een parallel systeem. Een systeem waarin wetten niet gelden, waarin geweld loont en waarin de staat afwezig is. Dat systeem wacht niet. Dat systeem breidt zich uit.
Dit is geen kwestie van politieke voorkeur of nuance. Dit is een test van staatsgezag. En op dit moment slaagt de staat niet.
