In theorie klinkt het eenvoudig. Een raad van commissarissen of een bestuursraad moet bestaan uit mensen die onafhankelijk kunnen denken. Mensen die vragen durven stellen. Mensen die niet bang zijn om “nee” te zeggen wanneer een besluit niet klopt.
In Suriname blijkt dat idee vaak moeilijker dan het lijkt.
Wie naar veel bestuursraden van staatsbedrijven kijkt, ziet vaak dezelfde namen steeds terugkomen. De ene week zitten ze bij een energiebedrijf, de volgende maand bij een bank, daarna bij een overheidsfonds. Het lijkt soms alsof er in het land maar een kleine club mensen bestaat die overal tegelijk toezicht houdt.
Dat roept een eenvoudige vraag op: wie controleert eigenlijk wie?
De vergadering waar iedereen het eens is
Stel u een vergadering voor.
Een staatsbedrijf wil machines kopen voor 30 miljoen dollar. De directeur legt het plan op tafel. De presentatie ziet er netjes uit. Mooie grafieken, dikke dossiers, indrukwekkende cijfers.
De voorzitter knikt.
De commissaris naast hem knikt ook.
Nog iemand zegt: “Het lijkt mij een goed voorstel.”
Binnen tien minuten is het besluit genomen.
De vergadering wordt afgesloten met koffie, pasteitjes en de belofte dat het bedrijf “weer een grote stap vooruit zet”.
Niemand heeft gevraagd waarom de prijs zo hoog is. Niemand heeft gevraagd of er andere leveranciers bestaan. Niemand heeft gevraagd of het bedrijf het geld eigenlijk wel heeft.
Niet omdat die vragen niet bestaan. Maar omdat niemand ze stelt.
Het probleem van de bekende gezichten
Een vaak gehoorde klacht in Suriname is dat bestuursraden te klein zijn in hun kring. Veel deskundigen kennen elkaar. Ze werken samen, hebben samen gestudeerd, zitten in dezelfde netwerken of hebben politieke banden.
Dat hoeft niet verkeerd te zijn. Maar het wordt een probleem wanneer onafhankelijk toezicht verandert in beleefd zwijgen.
Een bestuurder die goede vrienden is met een directeur zal minder snel harde vragen stellen. Een commissaris die door een politieke partij is voorgedragen zal soms eerst nadenken over partijbelangen voordat hij naar het bedrijfsbelang kijkt.
En zo ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen is officieel onafhankelijk. Maar niemand voelt zich echt vrij om tegen te spreken.
Het verhaal van de stille accountant
Er wordt vaak een voorbeeld verteld in bestuurlijke kringen.
Een jonge accountant werd ooit benoemd als commissaris bij een middelgroot bedrijf. Ze was relatief nieuw in de wereld van bestuurskamers en voelde zich in het begin een beetje ongemakkelijk tussen oudere bestuurders.
Tijdens een vergadering zag ze iets opvallen in de cijfers. Een reeks uitgaven die niet duidelijk waren. Ze stelde een eenvoudige vraag. “Waarom staan deze kosten hier zonder specificatie?”
De directeur bladerde door zijn papieren. Hij gaf een vage uitleg. De accountant vroeg opnieuw. “Zijn deze betalingen gecontroleerd?”
Het werd stil in de zaal. Sommige commissarissen keken naar hun koffie. Anderen naar hun telefoon. De vraag was niet populair. Maar enkele weken later bleek dat de accountant gelijk had. De administratie moest worden aangepast en er werden strengere regels ingevoerd.
Het bedrijf werd uiteindelijk sterker. Niet door een groot plan. Maar door één simpele vraag.
De cultuur van niet lastig zijn
In veel organisaties bestaat een ongeschreven regel. Maak het niet te moeilijk. Wie te veel vragen stelt, wordt al snel gezien als lastig. Als iemand die de vergadering vertraagt. Of als iemand die het management niet vertrouwt. Daardoor ontstaat een cultuur waarin harmonie belangrijker wordt dan controle.
Maar toezicht zonder kritische vragen is geen toezicht.
Het is decoratie.
De bestuurscarrousel
Een ander probleem is wat sommige mensen de “bestuurscarrousel” noemen.
Dezelfde personen draaien rond tussen verschillende organisaties. Vandaag commissaris bij een staatsbedrijf. Morgen bestuurder bij een stichting. Volgende maand adviseur bij een ministerie.
Op papier klinkt dat indrukwekkend. Veel ervaring. Veel kennis.
Maar er schuilt ook een risico. Wanneer een kleine groep overal zit, wordt echte onafhankelijkheid moeilijker. Mensen kennen elkaar te goed. Ze willen elkaar niet beschadigen. En zo ontstaat een netwerk waarin kritiek zelden hard wordt uitgesproken.
De vergadering die nooit plaatsvond
Een oud ambtenaar vertelde ooit een ironisch verhaal. Een Raad van Toezicht kwam bijeen om een groot contract te bespreken. De documenten waren dik, het bedrag enorm. Maar de vergadering duurde slechts twintig minuten. Niet omdat alles perfect was. Maar omdat bijna niemand het dossier had gelezen.
Iedereen vertrouwde erop dat “de anderen het wel hadden bekeken”. Aan het einde van de vergadering zei iemand: “Als niemand bezwaar heeft, gaan we akkoord.” Niemand zei iets. Het besluit werd aangenomen.
Pas maanden later ontdekte men dat het contract ernstige fouten bevatte.
Waarom onafhankelijk toezicht belangrijk is
Sterke bestuursraden zijn geen luxe. Ze zijn noodzakelijk.
Voor staatsbedrijven gaat het vaak om geld van het volk. Voor grote bedrijven gaat het om banen, investeringen en economische stabiliteit.
Wanneer toezicht zwak is, ontstaan risico’s. Contracten kunnen slecht worden afgesloten. Uitgaven kunnen uit de hand lopen. En vertrouwen kan verdwijnen.
Voor investeerders is goed bestuur vaak een belangrijk signaal. Bedrijven met sterke en onafhankelijke raden krijgen sneller vertrouwen en kapitaal.
De lange weg vooruit
De oplossing ligt niet in één maatregel.
Suriname heeft meer mensen nodig die worden opgeleid in toezicht, financiën en bestuurskunde. Universiteiten, beroepsorganisaties en bedrijven kunnen daarin een rol spelen. Maar misschien nog belangrijker is een verandering in cultuur. Een bestuursraad moet geen plek zijn waar iedereen elkaar vriendelijk aankijkt. Het moet een plek zijn waar moeilijke vragen welkom zijn. Waar iemand rustig kan zeggen:
“Leg dat nog eens uit.” Of nog eenvoudiger: “Klopt dit eigenlijk wel?” Want soms begint goed bestuur niet met grote hervormingen. Maar met één persoon die zijn hand opsteekt in een stille vergaderzaal.
