Corruptie als nationaal ambacht

In Suriname is corruptie geen schandaal meer dat schokt, maar een ambacht dat men beheerst. Het wordt niet geleerd op school, maar thuis, op kantoor, in ministeries en bij loketten waar regels buigzamer zijn dan papier. Wie zich afvraagt hoe een samenleving zo ver kan afglijden, moet stoppen met zoeken naar individuele schuldigen en beginnen bij het systeem dat afwijking heeft omgevormd tot norm. 

Corruptie is hier geen ontsporing, maar erfgoed. Onzichtbaar beschermd, sociaal overgeleverd en zelden ter discussie gesteld.

Sinds 1980 is macht in Suriname losgekoppeld van moraal. De staatsgreep vernietigde niet alleen een regering, maar ook het idee dat gezag voortkomt uit legitimiteit. Wat resteerde was macht zonder correctie. Wie dicht bij het centrum stond, hoefde zich niet te verantwoorden. Regels golden voor sommigen, nooit voor iedereen. Die ongelijkheid werd niet tijdelijk geaccepteerd, maar structureel ingebed. Het gevolg was voorspelbaar: wie zag dat oneerlijkheid loonde, paste zich aan. Wie bleef vasthouden aan regels, werd naïef genoemd. 

Eerlijkheid werd geen waarde, maar een strategische fout.

De ironie is dat corruptie zich sindsdien heeft vermomd als normaliteit. Het draagt tegenwoordig nette pakken, spreekt over beleid, hervorming en transparantie, en laat zich verkiezen. De stembus werd niet het einde van het probleem, maar de camouflage ervan. Democratische rituelen vervangen geen morele orde. Verkiezingen zonder ethische consequenties zijn slechts periodieke herverdeling van toegang tot dezelfde voordelen. De namen veranderen, de patronen niet.

Satirisch gezien is Suriname een land waar iedereen tegen corruptie is, zolang het iemand anders betreft. Men fulmineert tegen diefstal, behalve wanneer het “regelen” heet. Men veroordeelt vriendjespolitiek, behalve wanneer een neef “geholpen” wordt. Het systeem functioneert als een morele wasmachine: alles wat erin gaat, komt er schoon uit zolang het maar door de juiste handen gaat. Niemand voelt zich schuldig, want iedereen kan uitleggen waarom het noodzakelijk was.

De grootste misvatting is dat corruptie voortkomt uit armoede. Het tegendeel is vaker waar. Corruptie creëert armoede door middelen te onttrekken aan collectieve ontwikkeling en ze te concentreren in private netwerken. Suriname is niet arm omdat het weinig heeft, maar omdat wat het heeft verkeerd wordt verdeeld. De bodem levert goud, olie en hout, maar het bestuur levert wantrouwen, inefficiëntie en cynisme. Institutioneel vertrouwen is uitgehold tot een dun laagje hoop dat elke verkiezingscyclus opnieuw wordt verbruikt.

Herstel faalt omdat het probleem verkeerd wordt gedefinieerd. Men bestrijdt corruptie als incident, niet als cultuur. Er worden commissies ingesteld, wetten aangepast en slogans gelanceerd, maar zelden wordt gevraagd wie moreel profiteert van het bestaande systeem. Zolang er geen consequenties zijn voor machtsmisbruik, blijft integriteit een lege term. 

Straffeloosheid is geen gebrek in het systeem, maar een essentieel onderdeel ervan.

Het verhaal  wordt compleet wanneer burgers, moe van teleurstelling, toch blijven stemmen op dezelfde structuren. Niet uit overtuiging, maar uit gebrek aan alternatief. Hoop wordt periodiek gerecycled, net als beloftes. Het volk stemt niet meer op visie, maar op overleving. In zo’n context wordt corruptie niet bestreden, maar beheerd. Het wordt een voorspelbare kostenpost van het staatsbestel.

Zonder moreel herstel is elk politiek herstel cosmetisch. Zolang eerlijkheid niet wordt beschermd en beloond, blijft corruptie rationeel gedrag. Wie verandering wil, moet accepteren dat het probleem niet buiten ons ligt, maar in wat collectief is toegestaan. 

Corruptie is geen afwijking meer. Het is beleid zonder papier, traditie zonder vlag en erfgoed zonder museum. En zolang dat erfgoed niet wordt afgewezen, blijft de toekomst een herhalingsoefening.  

error: Kopiëren mag niet!