Het initiatiefvoorstel dat nu in De Nationale Assemblée ligt en inzet op het verbieden en technisch blokkeren van online kansspelen vertrekt vanuit een begrijpelijke zorg, maar eindigt in een beleidsmatige misvatting. De kern veronderstelling is dat door fysieke goklokalen te sluiten of door digitale blokkades op te werpen, het gokgedrag substantieel zal afnemen. Die aanname houdt geen stand in een wereld waarin toegang tot het internet diffuus, grensoverschrijdend en grotendeels buiten nationale controle is geplaatst
Volgens een door de redactie geraadpleegde expert op het gebied van digitale regulering is het fundamentele probleem dat beleid nog steeds denkt in territoriale kaders, terwijl online gokken functioneert in een mondiale infrastructuur. Internetverkeer laat zich niet duurzaam afsluiten via nationale filters. VPN-diensten, mirror-sites, crypto betalingen en decentrale platforms maken het technisch eenvoudig om blokkades te omzeilen. Elk verbod dat louter leunt op technische afsluiting creëert vooral schijncontrole en verplaatst het probleem, zonder het daadwerkelijk te verkleinen.
Daartegenover staan de fysieke goklokalen, die zichtbaar, controleerbaar en belastbaar zijn. Deze ondernemingen opereren binnen het bestaande wettelijke kader, betalen vergunningen en dragen belastingen af aan de staatskas. Door juist deze locaties te beperken of te sluiten, snijdt de overheid in een sector die nog enige regulerende greep biedt. Het effect is voorspelbaar: spelers verdwijnen niet, maar verschuiven naar volledig ongereguleerde online platforms waar toezicht, consumentenbescherming en fiscale afdrachten ontbreken.
De expert wijst erop dat dit een klassiek voorbeeld is van symptoombestrijding. Het beleid richt zich op wat zichtbaar is in het straatbeeld, niet op wat zich feitelijk afspeelt in de digitale ruimte. Dat maakt het voorstel aantrekkelijk in politieke communicatie, maar zwak in effectiviteit. Het sluit aan bij morele verontwaardiging en publieke onrust, maar niet bij de structurele realiteit van digitale toegankelijkheid. In die zin is dit voorstel eerder populistisch dan strategisch.
Bovendien negeert het initiatief een cruciaal economisch aspect. Door legale aanbieders te beperken, verliest de staat niet alleen belastinginkomsten, maar ook data, toezicht mogelijkheden en handhavingsinstrumenten. Regulering werkt alleen wanneer de overheid kiest voor kanalisatie: spelers richting gecontroleerde aanbieders leiden, niet richting de zwarte markt duwen. Internationale voorbeelden laten zien dat landen die inzetten op gereguleerde toegang, limieten, transparantie en verslavingszorg, aantoonbaar betere resultaten boeken dan landen die kiezen voor totale verboden.
Het argument dat bescherming van burgers, met name jongeren, een verbod rechtvaardigt, wordt eveneens problematisch toegepast. Jongeren hebben vandaag de dag vaker toegang tot een smartphone dan tot een fysiek goklokaal. De sociale omgeving is digitaal geworden. Door de fysieke ruimte te sluiten en de digitale ruimte te criminaliseren zonder effectieve handhaving, ontstaat juist een vacuüm waarin toezicht verdwijnt en risico’s toenemen.
De expert concludeert dat effectief gokbeleid vraagt om realiteitszin. Niet de vraag of gokken wenselijk is, maar de vraag hoe het onvermijdelijke gedrag wordt ingekaderd, gecontroleerd en geminimaliseerd in schade. Dat vereist moderne wetgeving, internationale samenwerking, fiscale prikkels en vooral erkenning dat het internet geen loket is dat men kan sluiten met een besluit in Paramaribo.
Zolang beleid blijft doen alsof technologische grenzen samenvallen met staatsgrenzen, zal elk verbod vooral symbolisch zijn. De wereld is veranderd, de toegang is er al, en duizenden online gok opties verdwijnen niet omdat een wet dat bepaalt. Wat wel verdwijnt, is de geloofwaardigheid van beleid dat de werkelijkheid structureel miskent.
