Internationale groep van experts uit zorgen over Staatsolieproject

Internationale experts van de Internationale Union for the Conservation of Nature and Natural Resources Cetacean Specialist Group uiten hun zorgen over het seismisch onderzoek dat door Staatsolie wordt uitgevoerd. In een brief geven zij aan dat de zeekoe in Suriname behoort tot een soort die de status bedreigd heeft en dat er in het gehele verspreidingsgebied waar het dier voorkomt, nog slechts 2500 over zijn. Vandaag heeft de Green Heritage Fund Suriname deze brief aan Staatsolie en het NIMOS aangeboden, evenals een monitoringsplan waarvan de stichting vindt dat het bedrijf dergelijk monitoringplan in plaats had moeten hebben. Zonder een dergelijk plan kunnen effecten niet gemeten worden, aangezien je niet weet wat je meet.
In een reactie op het persbericht van Staatsolie geeft de GHFS aan dat Staatsolie slechts formeel gereageerd heeft op een aantal van de zorgpunten van de GHFS, nadat zij daartoe zijn aangemaand door het NIMOS. De reactie van het GHFS op die brief is vandaag met andere documenten bij het bedrijf en bij NIMOS afgeleverd. GHFS stelt ook dat er geen monitoringplan aanwezig is. Terwijl Staatsolie al die tijd de indruk heeft gegeven dat zij de zorgpunten in overweging namen, zijn zij onverstoord doorgegaan met het plannen van hun onderzoek in ongewijzigde vorm. Dit wordt door de stichting gezien als een manier van druk uitoefenen om goedkeuring te laten verlenen aan het onderzoek.
In de laatste meeting op verzoek van NIMOS, is op het verzoek van NIMOS besloten te beginnen in een andere rivier dan de Suriname Rivier, het voorstel was in Nickerie, dus het westen van het land. Ondanks dat de GHFS ook daarvan denkt dat er een groot gebrek is aan gegevens over aanwezige dieren, heeft de stichting een iets geruster hart omdat uit anekdotische gegevens zou blijken dat daar geen dolfijnen of zeekoeien aanwezig zijn in de rivier. In de laatste vergadering met het bedrijf heeft de GHFS nogmaals aangehaald dat de Saramacca Rivier bekend staat om zijn zeekoeien en dat ook daar een gedegen monitoringplan nodig is. Inmiddels is dergelijk concept monitoringplan klaar (hoewel het niet de taak is van de stichting om iets dergelijks op te stellen), en aangeboden aan Staatsolie en NIMOS op maandag. Wat de GHFS nu wil is uitstel. Dit is niet de eerste keer dat de GHFS daarom vraagt en de verzoeken van de GHFS zijn in feite niet gehonoreerd. Het Environmental Management Plan is ook pas 15 dagen geleden ontvangen, omdat de stichting werd verteld dat het niet beschikbaar was omdat het nog niet af was.
Wat is het probleem?
Voor alle duidelijkheid, want de GHFS begrijpt dat het voor een heleboel mensen niet zo begrijpbaar is. Het milieu waarin Staatsolie gaat werken is water, in water verplaatst geluid zich 10 keer sneller dan in de lucht. De dieren die in het water leven, zowel zoogdieren als vissen maken van geluid gebruik om de meest essentiele functies van hun leven – communiceren, eten zoeken, reproduceren, vermijden van roofvijanden en gevaren, navigeren – te kunnen vervullen. Het geluid geproduceerd door een airgun zoals voorgesteld door Staatsolie is bij de bron 230 dB. (Hoewel geluid in de lucht en in het water en onze perceptie daarvan als mens niet echt te vergelijken zijn, verwijst de stichting toch naar de volgende tabel: http://www.gcaudio.com/resources/howtos/loudness.html). Op basis van berekeningen wordt dan berekend wanneer dat geluid een niveau van 180 dB bereikt, dat wordt algemeen gezien als het niveau waarop er geen “schadelijk effect meer is”, echter er zijn inmiddels nu al weer standaarden in andere landen waarbij deze grens is verlaagd naar 160 dB. Op basis van deze berekeningen is vastgesteld dat deze grens op 300 m ligt van de bron. Dus als er dieren binnen die grens van 300 meter voorkomen moet de airgun worden stopgezet. Echter, deze berekening is gebaseerd op een open oceaan milieu en gaat mank in een rivier, waar het geluid weerkaatst wordt door de bodem, eventuele banken in de rivier en de rivieroevers. Om die reden heeft de GHFS verzocht om na te laten gaan hoe het geluid zich zal verplaatsen in de rivieren, dit heet akoestisch modelleren. Echter, op de brief met betrekking tot het akoestisch modelleren is nooit een antwoord ontvangen.
Gevoeligheid voor geluid
Wat betreft de gevoeligheid voor geluid van de dolfijnen en zeekoeien, is het zo dat zeekoeien (Trichechus manatus manatus) gevoeliger zijn voor laagfrequente geluiden en dus nog gevoeliger dan dolfijnen (Sotalia guianensis) voor het geluid van de airgun. Zoals bekend zijn de Surinaamse rivieren niet alleen ondiep, maar ook smal. Met andere woorden er zijn geen vluchtroutes. Afgezien natuurlijk van het feit dat een zeekoe al niet zo snel kan zwemmen. Dit is ook de bezorgdheid van de buitenlandse deskundigen. Het is ook van bijzonder belang om op te merken dat onze Braziliaanse zuiderburen bijzonder strenge voorzorgsmaatregelen hanteren, namelijk in water ondieper dan 12 meter waar zeekoeien voorkomen wordt geen seismisch onderzoek toegestaan. Ook zijn de Braziliaanse veiligheidsafstanden veel groter, 1000 meter. De GHFS heeft daarom ook voorgesteld om vanuit de bovenstroom te werken richting zee, en dus niet de dolfijnen voor de boot uit te jagen en ze eigenlijk in een val te laten lopen. Dat geluid een machtig wapen is in het opdrijven van dolfijnen is eigenlijk ook te zien in de film The Cove, daar worden de dieren door middel van geluid geproduceerd door te slaan op metalen stokken opgejaagd in de baai, waar zij vervolgens worden afgeslacht.
Indien Staatsolie inmiddels andere maatregelen heeft ingesteld, dan zijn die niet aan ons bekendgemaakt. Het zou bv goed zijn om van te voren vast te stellen waar en hoeveel zeekoeien er zijn, en na het onderzoek dan weer voor een periode van twee weken of langer na te gaan of de dieren er nog zijn, of zij ongedeerd zijn, etc. In het door GHFS opgestelde monitoringplan worden dit soort zaken ook voorgesteld, inclusief een strandingsnetwerk.
Verder wenst de GHFS nog het volgende aan te halen uit een verklaring van Linda Weilgart (Weilgart, 2005) van Dalhousie University in Canada: “De bewijslast met betrekking tot negatieve effecten moet worden gelegd bij de toepasselijke gebruiker, inplaats van te vereisen van de regelgevende instanties (en dus de belastingbetaler) dat die alle kosten moet dekken. Succesvolle implementatie van een aanpak gebaseerd op voorzorgsmaatregelen is dat de bewijslast ligt bij degenen die het geluid veroorzaken.” Met andere woorden Staatsolie moet afdoende aantonen dat hun onderzoek geen negatieve effecten zal hebben, en dat hebben ze in onze ogen (en ook van de internationale experts) niet gedaan.

error: Kopiëren mag niet!