139 Jaar Hindostaanse Immigratie op 5 juni

In het kader van de herdenking van 139 jaar Hindostaanse immigratie op 5 juni a.s. zal Dagblad Suriname in samenwerking met Jan S. Soebhag, enkele artikelen publiceren over de nakomelingen van de Hindostaanse contractarbeiders in Suriname.
Als wij deze nakomelingen in de schijnwerpers plaatsen, zien wij dat ze overal en in alle sectoren hun stempel gedrukt hebben. Wij gaan enkele van de nakomelingen vanuit hun dagelijkse activiteiten en hun beroep belichten. Vandaag het eerste artikel uit deze reeks, die steeds op de woensdag en de zaterdag zal verschijnen.
 
De baithak gáná-zangeres Bisnoewatie Koesal
 
Ze staat bekend als de Baithak-gáná maháráni van Suriname. Ze heet in werkelijkheid Koesal Koewaria. Zij is dochter van wijlen de heer Rambaran Koesal en Sewlal Biphia. Zij verklaart dat haar grootouders als contractarbeiders uit India waren gekomen. Wat ze zich wel herinnert is dat haar ájá (grootvader), Koesal heette en de áji (grootmoeder), Hashmatia. Haar ájá is haar eerder komen te ontvallen, terwijl haar áji op een gezegende leeftijd van ongeveer 105 jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
 
Zij, Bisnoewatie, toont met trots de ontvangen oorkondes, een medaille en haar trofee tijdens haar zangcarrière.
 
Zij is geboren op 5 november 1945 te Vredenburgweg Serie B no. 88, in het district Wanica en ze kreeg de troetelnaam ‘Bisnoewatie’ mee. Zij was ongeveer zes jaar jong toen haar 28-jarige vader (van beroep kleermaker) haar kwam te ontvallen.
Na de dood van haar vader verhuisde de moeder met de kinderen naar de Commissarisweg, van waaruit ze de Henricus Lagere school te Monplaisir bezocht.
Zij had van zowel haar moeders- als van haar vaderszijde muziek mee in haar familie. Haar áji, náni (oma) en moeder waren goede zangartiesten. Tijdens het interview vertelde zij, dat zij op heel jeugdige leeftijd van al deze drie personen zang en muziek leerde. Als jong meisje mocht ze altijd mee met de ouderen naar de feesten, waar de familie werd uitgenodigd om deel te nemen aan de muzikale omlijsting van de activiteiten.
Al in het prille begin onthield ze de liederen, welke haar áji, náni en moeder zongen (áji: cali rádhá gaune chote  umiriyá…(rádhá kom, laten wij naar je schoonfamilie gaan op jouw jeugdige leeftijd…)/ náni: dulhá tore dulhin kaune rangná, tohe rang mungwá, sapate rang motiyá, gore rang ná tore dulhin….(..bruidegom, welk huidskleur heeft jouw bruid, zij is niet lichtkleurig……)/moeder: áwo áwo babhaná, baitho more angná, bicár more gaune ke dinwá (ohh pandit zit en zoek uit wanneer ik naar mijn schoonfamilie zal vertrekken).
Reeds op 15- jarige leeftijd mocht ze de dholak (slaginstrument) bespelen en meezingen tijdens de telwán-activiteiten (onderdeel bij het Hindoe-huwelijk) bij een huwelijk in de buurt. Haar eerste lied dat zij ten gehore bracht was, dukh haro dwárkánáth, saran men teri….(Here ik ben bij U…..help mij, mijn problemen op te lossen), tijdens een feestje bij haar oom (mámá).
Zij was ongeveer 20 jaar, toen zij op een eenvoudige wijze (door middel van enkele rituelen thuis, de totkaram) in het huwelijk trad met Ramsamoedsing van de Prinsessestraat (van beroep taxichauffeur).  Hierna verhuisde zij naar de Maikoestraat no. 21, alwaar zij tot heden woont. Op 33 jarig leeftijd overleed haar man en hij liet haar met drie kinderen achter (twee meisjes en een jongen).
Als alleenstaande moeder van drie kinderen solliciteerde zij bij  het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV), waar ze terecht kwam op de afdeling Bestrijding (bestrijding van planten tegen insecten). Uitgerekend verdiende zij sf. 1,75 per dag. Het geld was niet voldoende om de drie kinderen goede voeding en schoolopleiding te geven. Na haar werk bij LVV, tegen een uur of twee, pakte zij een kruiwagen, kocht wat groenten en zij ging deze in haar directe omgeving verkopen. Met de opbrengst uit de verkoop van de groenten en haar maandelijkse salaris gaf ze haar kinderen een redelijke schoolopleiding en zij heeft hen allemaal kunnen grootbrengen en uithuwelijken.
Toen zij ongeveer 27 jaar oud was ontmoette zij wijlen mevrouw Chanderwatie (een zeer populaire zangeres onder de Hindostaanse vrouwen). Bisnoewatie trok samen met deze vrouw, Koemar Harpal (dholakbespeler) en een zekere Jainaf die de dantál (muziekinstrument vervaardigd van een ijzeren staf) hanteerde, de zangwereld in.
Na enkele jaren – ongeveer 1986 – richtte ze haar eigen bandgroep ‘de Nayá Dosti’ op. In Nayá Dosti zat ze samen met haar zoon, Roytash Koesal, Ramsoekh Sanjeevkumar en Vijai Hira.
In haar leven heeft Bisnoewatie met veel populaire artiesten opgetreden, zoals: Draupati (Nassylaan), Anie Bodha, Alma, Khoenkhoen en mevrouw Mungra (de eerste vrouwelijke zangeres uit de Hindostaanse gemeenschap die met harmonium, dholak, dantál en tamboerijn haar zangtalenten heeft gedemonstreerd. In haar tijd was zij ‘een van de beste’, vertelt Bisnoewatie).
Medio ‘90 was ze uitgenodigd om bij Pt. Patandin te zingen tijdens een muran (een rituele plechtigheid) van een zoon. Aldaar onderging Nayá Dosti een naamsverandering en haar band werd omgedoopt in ‘Dil-E-Nadaan’.
Op de vraag wat haar populair heeft gemaakt, zei ze beheerst en op een heel rustige manier, de eigen liederen die zij schreef en die zij op een populaire en pittige manier ten gehore brengt en voornamelijk de taal waarin zij zingt. Van de liederen die populair zijn: ‘apne balamwá dil kese lagaibe………(oh mijn geliefde, wie zal ik liefhebben)…..…….; naurangiyán phare, sajan birá ke ture, narai ke chaibe bangalwá, jiyará jarge hamár……(de citrusvruchten zijn in bloei, wie zal het oogsten, van grassprieten zal ik het dakbedekken, ooh wat ben ik jaloers)…………….’ 
Bisnoewatie is momenteel (anno 2011) met Dil-E-Nadaan, de populairste catni (..pittige) zangeres in Suriname en zij staat bekend als baithak-gáná Maháráni (de koningin van het baithak-gáná zanggezelschap).
In haar zangcarrière heeft zij acht CD’s uitgebracht, een oorkonde ontvangen van de Stichting Noer Emmy (Voorzitter M.S.R. Pierkhan), oorkonde van SMC-Crew Semiclassical Band, een plakkaat bij het 50-jarig bestaan van Rapar (voor de bewezen diensten op het gebied van zang en muziek) en ze heeft een trofee ontvangen bij de herdenking van 104 jaar Hindostaanse Immigratie.
Bron: Hindustaanse artiesten en kunstenaars in de schijnwerpers, Paramaribo, februari  2012
door Jan S. Soebhag. ISBN:  978-99914-7-143-3

error: Kopiëren mag niet!
%d bloggers liken dit: