Dinsdag 16 oktober 2018

De presidentiële commissie ‘evaluatie kiesstelsel’ onder leiding van de democraat Jules Albert Wijdenbosch, heeft onlangs verslag gedaan aan de President Bouterse, waarin naar verluid onder andere is opgenomen de suggestie om pre-electorale bundeling te verbieden. Pre-electorale bundeling is het fenomeen waarbij gelijkgerichte partijen op basis van principes of op basis van een voor deze partijen momentele noodzakelijkheid, voor de verkiezingen ertoe overgaan een combinatie te vormen. Ik zal in deze bijdrage summier ingaan op dit fenomeen, enkel, met de bedoeling de discussie die reeds in gang is aan te scherpen. Ik hoop dat er dan uiteindelijk de juiste en correcte beslissing door de verantwoordelijke instanties en of organen genomen zal worden. In de benadering mijnerzijds zullen absoluut aspecten belicht worden die de richting van een juiste en correcte beslissing zullen aangeven.

Historie van combinatie vorming
De vorming van combinatie voor de verkiezingen dateert vanaf de intrede van het Algemeen kiesrecht. Bij de verkiezing van 1949 heeft in de Surinaamse parlementaire geschiedenis de eerste bundeling van politieke partijen in een combinatie voor de verkiezing, haar intrede gedaan. De politieke partijen KTPI en de Surinaamse Landbouwers Organisatie, de SLO, vormden de eerste pre-electorale bundeling/combinatie. Die combinatie verwierf bij die verkiezing twee zetels. In 1955 werd de eerste grote pre-electorale combinatie gevormd, namelijk het Eenheidsfront, dat 11 van de toen 21 zetels in de wacht sleepte.Met deze twee voorbeelden heb ik aangetoond, dat het fenomeen pre-electorale combinatie niet vreemd is aan onze parlementaire of beter gezegd politieke ontwikkeling. Deze democratische verworvenheid of recht, is door de grondwetgever in 1987 verder versterkt en geïnstitutionaliseerd. Ik refereer hieromtrent aan artikel 53 van de grondwet: “
1. De Staat erkent de bevoegdheid van de burgers om politieke organisaties op te richten, behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien.
2. Politieke organisaties moeten de nationale soevereiniteit en de democratie respecteren.
3. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheden moeten de politieke organisaties het navolgende in acht nemen:
a. de doelstellingen mogen niet strijdig en onverenigbaar zijn met de Grondwet en met de wetten;
b. de organisaties moeten voor elke Surinaamse burger, die voldoet aan de door de wet te stellen criteria, toegankelijk zijn, mits deze de beginselen van de partij onderschrijft;
c. de interne organisatie moet democratisch zijn, hetgeen onder meer tot uitdrukking dient te worden gebracht door: – regelmatige bestuursverkiezingen; – het vereiste dat voorgedragen kandidaten voor de volksvertegenwoordigingen binnen de partijstructuren moeten zijn verkozen;
d. de kiezers in staat te stellen kennis te kunnen nemen van het beginselprogramma en het verkiezingsprogramma van de politieke organisaties;
e. jaarlijkse publicaties van inkomstenbronnen en rekeningen in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en tenminste een dagblad;
f. het functioneren, moet beantwoorden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, alsmede aan de gestelde wettelijke regels voor de waarborging van de openbaarheid en inzichtelijkheid;
g. het samenstellen van een programma, met als enig doel de behartiging van het nationaal belang.
De organieke wet van artikel 53 zoals straks is geciteerd, is terug te vinden in de kiesregeling met name in artikel 7, welk handelt over het begrip politieke organisaties. Dit artikel luidt als volgt: “ Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie mede beschouwd een combinatie van politieke organisaties, welke met het oog op deelname aan algemene, vrije en geheime verkiezingen is gevormd, mits deze combinatie bestaat uit politieke organisaties die voldoen aan de in het “Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen zijn uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van bedoeld decreet. Het is dus vrij duidelijk dat de grondwetgever met artikel 53 en de nadere uitwerking in artikel 7 van de kiesregeling de democratische beleving en gehalte van politieke partijen en of combinaties op dit stuk heeft versterkt. Deze versterking kent haar bron in de reeds aangehaalde ontwikkeling van de politieke democratie in Suriname. Het grondrecht om zich vrijelijk te kunnen verenigen, is in de geest en letter van voornoemde wet terug te vinden.

Punt van discussie
De argumenten die ik via de media verneem, welke als rechtvaardigheidsgrond moeten dienen om pre-electorale combinaties te verbieden zijn voor wat mij betreft niet valide. Als het gaat om reductie of voorkomen van de veelheid aan politieke partijen in Suriname, denk ik dat een drempelkostenregeling effectiever zal zijn. De politieke organisaties(partijen en combinaties)mogen bestaan en zich registreren bij de daartoe ingestelde organen voor deelname aan de verkiezingen. Alleen moeten zij aan de drempelkosten van bijvoorbeeld SRD 100.000 voldoen, in plaats van de 1% regeling(een onding). De main issue bij deze discussie is ook niet omdat de BEP, de NPS, de NDP, de VHP etc., te kennen hebben gegeven alleen of zelfstandig de verkiezingen te zullen/willen ingaan. De main issue is mijns inziens het democratische gehalte van het ‘verbieden’ van een verworven of historisch gegroeide democratisch recht. Het woord verbieden op zich geeft al aan dat het voorstel van de commissie als voornoemd, niet appelleert aan de democratische aspiraties van de Surinamer. In casu, bekeken tegen de achtergrond van de ontwikkeling van de politieke democratie in Suriname. Als een politieke partij kiest om alleen of zelfstandig deel te nemen aan de verkiezingen, is dat een keuze gebaseerd op democratische principes. Evenzo is het een democratisch recht van partijen om zich voor en/of na de verkiezingen te bundelen. Overigens is bekend dat het onderhavige voorstel reeds in 2015 uit het brein van een grijze eminentie is voortgesproten in een tete a tete met de voorzitter van de NDP, althans dat heeft laatst genoemde zelf wereldkundig bekendgemaakt. Dit nadat er veel kritiek vanuit de gemeenschap te horen was over het verbieden van pre-electorale combinatie. Ik denk niet dat er tussen 2015 en 2018 sprake is van significante verandering in de opvatting ter zake, bij grote delen van de Surinaamse politici en het volk.

Bert Eersteling