Loop een supermarkt binnen en je betreedt een laboratorium. Geen boerderij. Geen keuken. Een fabriek met TL-licht. Alles glanst. Alles schreeuwt. Alles belooft gezondheid terwijl het klinkt als een scheikundeles.
Ingrediëntenlijsten lezen als wachtwoorden. Suiker heeft vijf namen. Vet is “geoptimaliseerd”. Smaak komt uit een fabriek, niet uit de grond. Maar het is goedkoop. Dus het is “normaal”.
Echt voedsel? Dat ligt ergens achterin. Houtkleurige rekken. Rustige verpakking. Plots heet een appel “biologisch”. Alsof een appel ooit iets anders was. De prijs? Dubbel. Want blijkbaar is geen gif een luxeproduct geworden.
Het systeem verkoopt efficiëntie als vooruitgang. Hoe meer bewerkt, hoe beter. Hoe langer houdbaar, hoe winstgevender. Gezondheid past niet in die rekensom. Dus krijgt het een premium label, netjes naast de quinoa en schuldgevoelens.
En dan de consument. Die leert lezen. Die stelt vragen. Die ontdekt dat simpel eten ingewikkeld is gemaakt. Maar kennis kost geld. En dus ook keuze.
Conclusie: wie gewoon wil eten zoals vroeger, betaalt extra voor het privilege om niet langzaam vergiftigd te worden. Dat heet vooruitgang.
