Brandstof en sprookjesbeleid

In een land waar cijfers en verklaringen elkaar sneller inhalen dan benzineprijzen, ontstaat een opmerkelijk toneel. President Simons spreekt rustig over stabiliteit: een prijsplafond van SRD 53,27 voor diesel en SRD 48,32 voor unleaded. Het klinkt als controle, beleid en regie. Een zorgvuldig afgestemde beslissing, zo wordt benadrukt, in samenwerking met het ministerie van Financiën en Planning en Staatsolie.

Maar nog voordat de inkt droog is, verschijnt er een andere stem. Vanuit de hoek van olie en gas klinkt plots het tegenovergestelde: prijzen zullen stijgen. Geen nuance, geen afstemming, gewoon een andere realiteit. Alsof er twee parallelle economieën bestaan die elkaar niet kennen.

Het resultaat is geen debat, maar verwarring. Wie bepaalt hier eigenlijk de prijs? Het ministerie dat formeel verantwoordelijk is, of een club die vooral veel geluid maakt? De situatie begint te lijken op een tekenfilm waarin elk personage zijn eigen script volgt, zonder regisseur.

Het probleem ligt niet alleen bij tegenstrijdige uitspraken, maar bij het gebrek aan hiërarchie. In een functionerend systeem is er één lijn van besluitvorming. Wanneer externe stemmen publiekelijk beleid tegenspreken, ondermijnen ze niet alleen vertrouwen, maar ook de indruk van controle.

Satirisch bekeken: de grote oren luisteren niet, ze zenden. En hoe groter het geluid, hoe minder duidelijk de boodschap. Intussen blijft de burger achter met de vraag of hij moet geloven in het prijsplafond of zich alvast moet voorbereiden op hogere kosten.

De realiteit is eenvoudiger dan het circus: brandstofprijzen worden niet bepaald door luidruchtige voorspellingen, maar door formeel beleid en financiële kaders. Alles daarbuiten is ruis. Maar in dit geval wel ruis met volume.

error: Kopiëren mag niet!