Twintig jaar beleid zonder resultaat is geen toeval, maar een patroon. De goudsector in Suriname functioneert niet als een gereguleerde industrie, maar als een parallel systeem waarin de staat formeel aanwezig is en feitelijk afwezig. Rapporten stapelen zich op, commissies wisselen elkaar af, maar de kern blijft onaangeraakt: controle ontbreekt, handhaving faalt en politieke wil is selectief.
De realiteit is eenvoudig. Goud wordt dagelijks gewonnen, verhandeld en uitgevoerd. Niet via transparante kanalen, maar via informele netwerken die efficiënter opereren dan de overheid. Daar gelden geen vergunningen, geen belastingstructuren en geen milieuregels. Daar telt alleen volume, snelheid en cash. De staat kijkt toe en probeert achteraf te reguleren wat al lang buiten bereik ligt.
Het voorstel om royalty’s te verlagen illustreert het probleem. Dit is geen strategisch beleid, maar capitulatie. Het uitgangspunt is verkeerd: men gaat ervan uit dat lagere lasten automatisch leiden tot hogere naleving. In werkelijkheid werkt het tegenovergestelde. In een omgeving zonder handhaving wordt elke verlaging gezien als zwakte, niet als stimulans. Wie buiten het systeem opereert, heeft geen prikkel om binnen te komen zolang risico’s laag blijven en winsten hoog.
De fundamentele fout ligt in de benadering. De overheid behandelt de goudsector als een economische partner, terwijl een groot deel ervan functioneert als een informele en deels criminele economie. Overlegtafels en beleidsnota’s hebben geen effect op actoren die buiten het rechtssysteem opereren. Regulering zonder handhaving is symbolisch en daardoor ineffectief.
Wat wel werkt is een combinatie van harde controle en economische herstructurering. Ten eerste moet de staat fysieke controle terugnemen over productiegebieden. Dat betekent permanente aanwezigheid van politie en gespecialiseerde eenheden in goudgebieden, niet incidentele acties. Zonder territoriale controle is elke beleidsmaatregel irrelevant.
Ten tweede moet de keten worden gesloten. Goudexport moet uitsluitend via gecertificeerde kanalen verlopen, met realtime registratie van productie en verkoop. Dit vereist digitale tracking, verplichte afnamepunten en samenwerking met internationale afnemers die alleen legaal goud accepteren.
Voorbeelden bestaan. In landen als Ghana en Peru zijn systemen opgezet waarbij kleinschalige mijnwerkers alleen toegang krijgen tot de markt via geregistreerde coöperaties. Dat beperkt smokkel en verhoogt belastinginning.
Ten derde moet de financiële infrastructuur worden aangepakt. Zolang goud eenvoudig kan worden omgezet in anonieme cash, blijft het systeem lek. Banken en wisselkantoren moeten verplicht worden transacties te melden en te koppelen aan geregistreerde productie. Zonder financiële transparantie blijft elke fysieke controle omzeilbaar.
Ten vierde vereist dit politieke consistentie. Selectieve handhaving ondermijnt elke poging tot hervorming. Als bepaalde groepen worden ontzien vanwege politieke of economische belangen, verliest de staat geloofwaardigheid en gezag. Regelgeving moet uniform worden toegepast, ongeacht wie betrokken is.
De kern is dat de goudsector geen technisch probleem is, maar een bestuursprobleem. Zolang macht, geld en informele netwerken zwaarder wegen dan wetgeving, verandert er niets. Beleidsdocumenten lossen geen illegale economie op. Handhaving wel.
De conclusie is onvermijdelijk. Suriname beschikt over goud, maar mist controle over de opbrengsten. Niet door gebrek aan kennis, maar door gebrek aan uitvoering. Zolang praten wordt beloond en handelen risico’s met zich meebrengt, blijft het systeem in stand. Pas wanneer niet-naleving duurder wordt dan naleving, verschuift het evenwicht. Tot dat moment blijft de staat graven in papier, terwijl anderen graven in goud.
