Paniekjaar 2020. Scholen dicht. Land dicht. Iedereen bang.
Leerkrachten ineens IT-experts. Leerlingen ineens online. Ouders ineens bankiers. Computers moesten komen. Internet moest werken. Iedereen sprong.
Het werkte. Half. Met moeite. Met stress. Maar het werkte.
En toen?
Alles uit. Alles weg. Alles vergeten.
Covid voorbij. Project ook voorbij. Computers in de kast. Platforms dood. Wachtwoorden vergeten. Geen beleid. Geen opvolging. Geen plan.
Stilte.
Nu staat Dirk Currie (minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur) weer op. Nieuwe woorden. Oude ideeën. “Digitaal onderwijs.” Alsof het nieuw is. Alsof het niet al geprobeerd is. Alsof het niet gewoon is laten sterven.
De leerkracht kijkt. De leerling kijkt. De ouder kijkt. Iedereen denkt hetzelfde: daar gaan we weer.
De overheid bouwt geen systemen. De overheid bouwt speeches.
Vandaag digitaal. Morgen vergeten. Overmorgen opnieuw aankondigen.
Het onderwijs lijkt op een kapotte computer. Steeds opnieuw opstarten. Nooit opslaan.
Kinderen leren niet programmeren. Ze leren herhalen. Elke generatie krijgt dezelfde les: niets blijft bestaan.
En de kosten? Die zijn wel echt. Ouders kopen weer laptops. Docenten volgen weer cursussen. Tijd wordt weer verspild.
Het enige dat echt digitaal is, is het geheugen van de overheid: alles wordt automatisch gewist.
Misschien is dat het systeem. Geen vooruitgang, maar rondjes draaien. Geen ontwikkeling, maar herhaling. Geen onderwijs, maar theater.
Conclusie: Suriname heeft geen digitaal onderwijs. Suriname heeft een digitale reset-knop die elke paar jaar wordt ingedrukt. En niemand weet waarom.
