De Wet in Staat van Beschuldigingstelling van Politieke Ambtsdragers ligt opnieuw onder het vergrootglas. Wat ooit bedoeld was als bescherming tegen politieke vervolging, wordt door een groeiend deel van de samenleving gezien als een mogelijk schild voor politieke elites.
VHP-parlementariër Cedric van Samson erkent die spanning, maar waarschuwt tegelijk voor de risico’s van het volledig loslaten van deze wettelijke drempel. Volgens Van Samson is de kern van de wet helder: voorkomen dat politieke ambtsdragers lichtvaardig of uit politieke motieven strafrechtelijk worden vervolgd.
“Het systeem is vergelijkbaar met hoe je een politieagent niet door zijn eigen bureau laat onderzoeken”, stelt hij. “Er is bewust een barrière ingebouwd om te voorkomen dat iemand in zijn functie onnodig wordt geschaad door een mogelijk gekleurde vervolging.” Met andere woorden: de wet fungeert als een institutionele rem, bedoeld om de rechtsstaat te beschermen tegen misbruik van het strafrecht als politiek wapen.
Dekking
Toch wringt het. Want waar de wet bedoeld is als waarborg, kan zij in de praktijk ook de indruk wekken van politieke dekking. Die perceptie is niet uit de lucht gegrepen. In Suriname speelt de Nationale Assemblee immers een cruciale rol in het al dan niet toestaan van vervolging van politieke ambtsdragers. Dat betekent dat politieke meerderheden indirect invloed kunnen uitoefenen op het verloop van strafzaken. En precies daar zit de angel. De zaak rond voormalig minister van Financiën Gillmore Hoefdraad wordt door Van Samson zelf aangehaald als illustratief voorbeeld.
In een eerdere fase werd vervolging geblokkeerd door een parlementaire meerderheid. Pas na een politieke verschuiving kreeg het Openbaar Ministerie ruimte om het onderzoek voort te zetten, met uiteindelijk een veroordeling als resultaat. “Dat laat zien dat politieke verhoudingen daadwerkelijk impact kunnen hebben op het verloop van een rechtsproces”, klinkt het.
Die realiteit voedt de kritiek dat de wet niet alleen bescherming biedt tegen politieke vervolging, maar ook ruimte kan creëren voor politieke bescherming. Een mechanisme dat bedoeld is om rechtszekerheid te garanderen, kan zo onbedoeld bijdragen aan straffeloosheid of vertraging van gerechtigheid.
Verantwoordelijkheid
Van Samson benadrukte tegenover ABC echter dat de verantwoordelijkheid uiteindelijk ligt bij de volksvertegenwoordigers zelf. “Het is de taak van elke rechtgeaarde parlementariër om, wanneer zo’n verzoek komt, de ruimte te bieden aan het Openbaar Ministerie om zijn werk te doen.” Daarmee legt hij de lat bij de politieke integriteit van DNA-leden, eerder dan bij de wet zelf.
De hamvraag blijft dan ook actueel: moet de wet worden afgeschaft of hervormd? Het volledig schrappen ervan zou de weg vrijmaken voor snellere vervolging van politieke ambtsdragers. Maar dat opent tegelijkertijd de deur voor mogelijke politieke afrekeningen via justitie, vooral in een gepolariseerd politiek klimaat.
Suriname staat daarmee voor een klassiek dilemma binnen de rechtsstaat: hoe bescherm je bestuurders tegen politieke willekeur, zonder hen boven de wet te plaatsen? De huidige discussie maakt één ding duidelijk: vertrouwen in zowel politiek als justitie staat of valt met transparantie, consistentie en het vermogen om macht en verantwoordelijkheid in balans te houden.
Zolang die balans wankel is, zal de Wet in Staat van Beschuldigingstelling onderwerp blijven van debat – als symbool van bescherming, maar ook als bron van wantrouwen.
