Al eeuwenlang bevindt het grootste deel van het Afrikaanse culturele erfgoed zich buiten het continent. Naar schatting meer dan 90 procent van de materiële nalatenschap van Afrika wordt bewaard in musea en privécollecties in Europa en Noord-Amerika. Het gaat om maskers, beelden, koninklijke voorwerpen, manuscripten en objecten van goud, brons, hout, ijzer en steen, die samen eeuwen aan artistieke, spirituele en historische waarde vertegenwoordigen.
Deze situatie is grotendeels het gevolg van de koloniale periode. Europese machten namen veel van deze kunstschatten mee tijdens militaire veroveringen, via ongelijke verdragen en door dwanghandel. De objecten werden vervolgens naar het buitenland gebracht voor tentoonstelling, wetenschappelijk onderzoek of privébezit. Bekende voorbeelden zijn de Benin Bronzen, die aan het einde van de 19e eeuw werden buitgemaakt en nu in grote westerse musea te zien zijn, ver verwijderd van hun oorspronkelijke gemeenschap.
Afrikaanse landen, wetenschappers en culturele organisaties stellen dat deze praktijk ervoor zorgt dat gemeenschappen geen directe toegang hebben tot hun eigen geschiedenis. Hierdoor wordt ook de culturele identiteit verzwakt, omdat belangrijk bewijsmateriaal van vroegere beschavingen niet beschikbaar is in het land van herkomst.
De ongelijkheid heeft geleid tot toenemende druk op westerse instellingen om deze objecten terug te geven. Verschillende Afrikaanse landen investeren inmiddels in nieuwe musea en infrastructuur, met als doel het erfgoed terug te halen en zo hun culturele soevereiniteit en historisch bewustzijn te herstellen.
