Volgens de Chinese professor Xueqin Jiang kwam het islamitisch rijk niet abrupt ten einde door één enkele nederlaag, maar door een combinatie van interne fragmentatie, bestuurlijke overbelasting en externe druk. Het vroege expansiemodel, dat onder de Omajjaden en later de Abbasiden grote gebieden samenbracht, was gebaseerd op snelle militaire verovering en relatief lichte centrale controle. Naarmate het territorium zich uitstrekte van Spanje tot Centraal Azië, werd effectieve coördinatie complexer.
Professor Jiang wijst op politieke verdeeldheid als kernfactor. Regionale gouverneurs ontwikkelden autonome machtsbases. In Noord Afrika en Al Andalus ontstonden zelfstandige emiraten. In Egypte en Perzië groeiden dynastieën die formeel het kalifaat erkenden maar feitelijk onafhankelijk opereerden.
De eenheid van de ummah werd hierdoor politiek uitgehold.
Economische spanningen speelden eveneens een rol. Het vroege rijk profiteerde van oorlogsbuit en nieuwe belastingstromen. Toen expansie vertraagde, nam deze inkomstenbron af terwijl militaire en administratieve kosten hoog bleven. Dit leidde tot machtsstrijd binnen het hof en tot fiscale druk op de bevolking.
Extern verschoof de machtsbalans. In het westen wonnen christelijke koninkrijken terrein in Iberië. In het oosten verzwakten interne conflicten de verdediging tegen Turkse en Mongoolse machten. De inname van Bagdad in 1258 door de Mongolen betekende een symbolisch breekpunt voor het Abbasidische kalifaat.
Volgens deze analyse lag de oorzaak dus niet in religieuze verzwakking, maar in structurele overexpansie, decentralisatie van macht en veranderende geopolitieke verhoudingen. Het rijk transformeerde geleidelijk in meerdere regionale staten die islamitisch bleven, maar geen gecentraliseerde imperiale eenheid meer vormden.
