De president motiveert het vertrek of de non-actiefstelling van betrokken functionarissen bij de Melkcentrale en het Staatsziekenfonds met “ethische gronden” en met het doel om lopend onderzoek ruimte te geven en rust te herstellen. Dat motief is bestuurlijk herkenbaar: als een organisatie in crisis is, kan tijdelijke verwijdering uit de dagelijkse besluitvorming het risico op beïnvloeding van dossiers beperken en de werkvloer stabiliseren.
In de SZF-zaak is dat mechanisme expliciet uitgewerkt: het bestuur meldt dat de directeur op non-actief is gesteld hangende een intern onafhankelijk onderzoek, met verboden op toegang tot gebouwen, systemen en contacten met personeel en relaties, en met inlevering van eigendommen. Vanuit risicobeheersing is dat logisch.
Maar ethiek is geen juridisch eindstation. “Ethische gronden” leveren geen bewijs op, wijzen geen dader aan en herstellen geen publieke middelen. Ze zijn vooral een normatief signaal: dit gedrag is niet te verenigen met de integriteitsstandaard die een staatsinstituut moet uitstralen. Het gevaar ontstaat wanneer ethiek wordt gebruikt als substituut voor strafrechtelijke waarheidsvinding. Dan blijft de samenleving achter met een morele conclusie, maar zonder vaststelling van feiten, zonder terugvordering en zonder helderheid over persoonlijke verantwoordelijkheid.
In deze dossiers is er bovendien voldoende publieke aanleiding om de lat hoger te leggen dan alleen morele afstand. Over het SZF circuleert een voorlopige rapportage waarin vraagtekens worden gezet bij de rechtmatigheid van contracten met externe consultants en adviseurs, het ontbreken of vermoedelijk vernietigen van contracten bij HRM, en omvangrijke betalingen in korte tijd. In dezelfde rapportage worden contracten genoemd waarin Melkcentrale-functionarissen als consultants bij het SZF zouden zijn vastgelegd voor meerdere jaren met maandvergoedingen, terwijl de documenthuishouding juist een kernpunt van twijfel vormt. Dit soort signalen is precies het type informatie dat niet uitsluitend intern “afgehandeld” kan worden als het vermoeden bestaat dat regels zijn omzeild, gelden onrechtmatig zijn besteed of documenten zijn gemanipuleerd.
Daar komt bij dat het TAS-dossier, hoewel anders van aard, dezelfde bestuurlijke reflex laat zien: voorkomen dat de toezichthouder zelf onderwerp wordt van discussies over belangenverstrengeling of financiële onregelmatigheden. Malone verklaart dat hij zijn functie neerlegt om iedere schijn van beïnvloeding en belemmering te voorkomen en de onafhankelijkheid en transparantie van het toezicht te beschermen. Tegelijk is in de berichtgeving juist die schijn concreet gemaakt met documenten over huurbetalingen rond vergaderruimte en zorgen over financiële afwikkeling. Ook hier geldt: vertrek kan bestuurlijke rust brengen, maar is geen antwoord op de kernvraag of middelen en procedures correct zijn beheerd.
Wat moet dan wél gebeuren als “ethiek” de eerste stap is? Een strafonderzoek ontstaat niet uit slogans, maar uit proceshandelingen. De kern is dat een onafhankelijk bevoegde instantie feiten verzamelt volgens bewijsregels, met waarborgen voor zowel het publieke belang als de rechten van betrokkenen. Een intern onderzoek kan een startpunt zijn, maar mag nooit het eindpunt zijn als het over publiek geld gaat. Interne rapporten, kasstromen, contracten, autorisaties, e-mails, memo’s, betaalopdrachten en procurement-dossiers moeten veiliggesteld worden op een manier die later in een strafzaak standhoudt. Als er aanwijzingen zijn dat documenten zijn “verdwenen” of dat betalingen zijn gedaan zonder formele basis, is snelle digitale forensische veiligstelling essentieel; anders verandert onderzoek in reconstructie op basis van gaten.
De tweede stap is een duidelijke scheiding tussen bestuurlijke maatregelen en juridische conclusies. Non-actiefstelling, ontslag of “de eer aan zichzelf houden” voorkomt niet dat iemand later onschuldig blijkt, en het bewijst geen schuld. Het is een risicomaatregel. De president zegt ook expliciet dat het bestuur nog bezig is met onderzoek en dat men zal horen “wat er precies aan de hand is”. Dat is correct taalgebruik. Het moet echter gevolgd worden door een route die ook daadwerkelijk vaststelt wat er precies aan de hand is, met tijdlijnen, verantwoordingsketens, en toetsing aan wet en interne regels.
De derde stap is financiële bescherming van de staat en daarmee van de burger. Als de verdenking gaat over onrechtmatige betalingen, is alleen straf niet genoeg; terughalen is minstens zo belangrijk. Dat vraagt om snelle inventarisatie van betaalde bedragen, mogelijke tegenprestaties, en de vraag of contracten nietig of onrechtmatig tot stand zijn gekomen. Waar nodig hoort daar bevriezing van vermogensbestanddelen bij, zodat mogelijke schade niet verdampt in tijd. Zonder zekerstelling kan een later vonnis symbolisch worden: gelijk krijgen zonder geld terug.
Dan de politieke dimensie die vaak wordt verward met het strafrecht. In een kleine samenleving is de reflex groot om te denken in kampen, reputaties en “karaktermoord”, zoals Oemraw zelf stelt. Juist daarom moet vervolging niet selectief of mediagedreven zijn, maar strikt dossiergedreven. Dat betekent: één standaard voor iedereen, ongeacht netwerk, partijlabel of publieke populariteit. De rechtsstaat wint niet wanneer men vooral “koppen laat rollen”; zij wint wanneer men controleerbaar aantoont wat is gebeurd, wie tekende, wie betaalde, wie profiteerde, wie controleerde en wie wegkeek.
Voor de burger is de essentie eenvoudig te formuleren. Staatsbedrijven en semipublieke instellingen beheren middelen die uit premies, tarieven en belastingruimte komen. Als daar geld uit wegvloeit via dubieuze contracten, ontbrekende stukken of belangenverstrengeling, betaalt de samenleving dubbel: eerst de rekening van het systeem, daarna de rekening van het herstel. Daarom is “ethiek” als argument voldoende voor een bestuursbesluit dat rust moet brengen, maar onvoldoende als antwoord op het vermoeden van misdrijven.
Het enige geloofwaardige vervolg is een transparant, onafhankelijk feitenonderzoek met een duidelijke juridische route, en een even duidelijke financiële route om schade te beperken en zo nodig te verhalen. Dat is niet hardvochtig; dat is minimale bescherming van collectief bezit.
