President Jennifer Simons heeft in de zaken rond malversaties bij het SZF, de TAS en de Melkcentrale kordaat opgetreden. Betrokken personen werd gevraagd een stap opzij te doen. Dat is veelbelovend. Het geeft het signaal dat misstanden niet worden gedoogd en dat ook binnen de eigen politieke gelederen grenzen bestaan. Bestuur vraagt om lef, en optreden tegen mensen uit de eigen veilige kring is geen kleine stap.
Toch groeit in de samenleving het gevoel dat deze daadkracht ophoudt waar de coalitie begint. In slepende integriteitskwesties zoals bij de EBS, Grassalco en het grondbeleid, waar functionarissen gelieerd aan coalitiepartner ABOP genoemd worden, blijft het opvallend passief. Ook het gebrek aan doortastend optreden in de ordening van de goudsector, waarin een coalitiepartner een prominente speler is, doet de wenkbrauwen fronsen.
Boze tongen beweren dat binnen de “veilige marge” van de eigen NDP partij wel wordt ingegrepen, maar dat men terughoudend wordt zodra het de fragiele coalitie kan raken. Dat beeld, terecht of niet ,is politiek schadelijk. Want integriteit verliest haar kracht als zij selectief wordt toegepast.
Het is prijzenswaardig dat de president intern schoon schip maakt. Maar leiderschap vraagt om consistentie. Niet alleen interne onderzoeken, maar waar nodig ook het aansturen op strafrechtelijke trajecten, ongeacht partijpolitieke kleur.
Juist in een broze coalitie is gelijke maat de enige manier om geloofwaardigheid te behouden.
Integriteit mag geen partijgrens kennen, maar politieke lef om grenzen te doorbreken. Alleen dan kan het vertrouwen in politiek en rechtsstaat duurzaam worden versterkt.
