Waarom Suriname de CARICOM-Trump-elite-kliek mist

De uitnodiging van Kamla Persad‑Bissessar (premier van Trinidad & Tobago) en Irfaan Ali, president van Guyana, voor een top-ontmoeting met de Amerikaanse president Donald Trump in Florida op 7 maart illustreert een heroriëntering van de Amerikaanse aanpak in het Caribisch gebied en Latijns-Amerika, gefocust op veiligheid, energie en regionale invloed, waarbij landen die expliciet meewerken aan Washingtons prioriteiten worden gepositioneerd als ‘strategische partners’.

In Miami zal het debat vermoedelijk draaien om gezamenlijke veiligheidsoperaties tegen transnationaal georganiseerde misdaad, samenwerking rond energie-infrastructuur (zoals raffinaderijen en hydrocarbonenprojecten) en steun voor de soevereiniteit van Guyana in grensgeschillen met Venezuela. De agenda creëert een politiek kaartspel waarin steun voor Washingtons beleidslijnen in de regio een betekenis krijgt die veel verder reikt dan diplomatieke etiquette.

De Latijns-Amerikaanse zaak rond Venezuela — en name de rol van Marco Rubio als VS-minister van Buitenlandse Zaken in Caricom-gesprekken — is illustratief. Rubio heeft openlijk de militaire acties van de VS verdedigd die hebben geleid tot de afzetting van Nicolás Maduro, en stelde dat Venezuela ‘er beter voorstaat’ sinds de interventie, zonder zich te excuseren voor de inzet. Deze retoriek onderstreept Trumps strategie van pressie tegen linkse regimes en het herpositioneren van de VS als dominante regionale actor.

Een diplomaat die deze ontwikkelingen objectief analyseert zou de volgende observaties maken:

Ten eerste functioneert het uitnodigingspatroon niet als traditioneel CARICOM-solidariteitsbeleid maar als een instrument van externe selectie: landen die dichter bij Washingtons veiligheids- en energiedoelen liggen worden zichtbaar gemaakt, terwijl staten met een voorzichtige of onafhankelijke houding — zoals Suriname — buiten deze strategische cirkel vallen. De Amerikaanse aanpak is intersectoraal: veiligheidspolitiek wordt gekoppeld aan energieprojecten en geopolitieke posities binnen een bredere strijd om invloed tegenover rivalen zoals China.

Ten tweede is de specifieke verwijzing naar Venezuela zonder expliciete naamgeving van Suriname in Rubio’s opmerkingen — over vrijlating van gevangenen en hervormingen onder de interim-regering van Delcy Rodríguez — een zorgvuldig gekozen diplomatiek signaal. Het benadrukt dat samenwerking of publieke steun voor de operaties van Washington waardering oplevert en dat afzijdigheid kan worden geïnterpreteerd als gebrek aan commitment aan de ‘nieuwe orde’ van hemisferische veiligheid.

Het ontbreken van een Surinaamse uitnodiging kan dus worden gelezen als meer dan een diplomatieke omissie; het weerspiegelt de realiteit dat Washington in deze fase van haar beleid landen selecteert op basis van actieve congruentie met haar strategische prioriteiten. Suriname’s officiële positie, die de regio vooral als een ‘vredeszona’ wil bestempelen zonder expliciete steun voor de Amerikaanse operatie of expliciete kritiek op Caracas, sluit onvoldoende aan bij de nieuwe visie van het Witte Huis dat sterke tegenstellingen nastreeft tegenover linkse leiders en tegelijkertijd veiligheidspartners wil smeden.

Een diplomatieke commentator zou verwijzen naar de strategische doctrine die onder Trump weer prominent is: hemisferische veiligheid koppelen aan energiezekerheid en het bevorderen van regeringen die bereid zijn tot praktisch partnerschap met Washington, inclusief gezamenlijke anti-criminele operaties en steun voor territoriale geschillen waar VS-belangen spelen. In dat licht bezien zijn de uitnodigingen aan Guyana en Trinidad niet incidenteel maar strategisch: Guyana heeft een snelgroeiende olie- en gasproductie en een sterke veiligheidscoördinatie met de VS, terwijl Trinidad belangrijke raffinaderij- en energieprojecten heeft waar Washington ook interesse in heeft.

Als Suriname de diplomatieke strategie van haar buurlanden niet volgt, zijn de politieke en economische consequenties tastbaar. Op een geopolitiek niveau betekent het ontbreken van betrokkenheid dat Suriname minder toegang krijgt tot de netwerken van veiligheids- en economische samenwerking die in Miami zullen worden gesmeed. Dat kan de toegang tot Amerikaanse ondersteuning in veiligheidssectoren beperken, wat belangrijk is in een tijd waarin georganiseerde misdaad, migratiestromen en grensveiligheid centraal staan.

Economisch gezien riskeren landen die niet deelnemen aan deze vorm van partnerschap achterop te raken bij investeringsstromen die voortkomen uit Amerikaanse energie- en infrastructuurinitiatieven. Terwijl Guyana al in de lift zit met buitenlandse investeringen en Trinidad haar raffinaderijprojecten koppelt aan partnerschappen met Washington, zou een Surinaamse koers van relative neutraliteit kunnen leiden tot gemiste kansen in energie-gerelateerde investeringen en Amerikaanse steunprogramma’s.

Diplomatiek gezien kan Suriname’s onafhankelijke koers op termijn ook de perceptie versterken dat het land minder betrouwbaar is als partner voor Washington-geïnitieerde regionale initiatieven. In internationale relaties betekent dat minder uitnodigingen voor high-level summits, minder toegang tot bilaterale dialoogkanalen en een potentieel isolement binnen fora waar veiligheids- en economische agenda’s worden uitgestippeld. Dit isolement kan verder doorwerken in multilaterale instellingen, waarin het vestigen van invloed en coalities cruciaal is.

Deze ontwikkelingen dwingen Suriname tot een keuze tussen het handhaven van een diplomatiek evenwicht en het adopteren van een meer standvastige positionering in overeenstemming met de toegenomen Amerikaanse focus op het Caribisch gebied. In de huidige politieke dynamiek van de regio kan het blijven vasthouden aan een ‘vrede-voor-alle’ retoriek zonder harde beleidsinkleuring worden geïnterpreteerd als onvoldoende engagement om deel te nemen aan het hernieuwde geopolitieke schaakspel dat door Washington wordt gespeeld.

error: Kopiëren mag niet!