Wanneer een Chinese professor publiekelijk uitlegt waarom hij islam als de beste religie beschouwt, roept dat onmiddellijk debat op. De uitspraak vraagt om analyse, niet om sensatie. Wat bedoelt hij met ābesteā?
In academische context verwijst zoān kwalificatie zelden naar absolute superioriteit, maar naar samenhang, interne logica en maatschappelijke werking.
Volgens zijn uitleg ligt de kracht van islam in de combinatie van spirituele discipline en sociaal systeem. Geloof is niet beperkt tot ritueel, maar omvat economie, rechtvaardigheid, familierelaties en ethiek. Die integrale benadering biedt volgens hem een coherente structuur voor het dagelijks leven. De nadruk op eenheid van God schept eenvoud in theologie, terwijl vaste praktijken zoals gebed en vasten gedragsdiscipline versterken.
Daarnaast wijst hij op het historische vermogen van islamitische beschavingen om kennis te integreren. Tijdens de middeleeuwen fungeerden islamitische centra als brug tussen Griekse filosofie, Perzische wetenschap en Indiase wiskunde. Voor de professor toont dit een traditie die openstond voor intellectuele opname en ontwikkeling.
Critici merken terecht op dat elke religie door aanhangers als waar of volledig wordt ervaren. De kwalificatie ābesteā blijft normatief en afhankelijk van criteria. Wat voor de ƩƩn overtuigend is vanwege morele helderheid, kan voor een ander beperkend lijken. Religies functioneren binnen culturele en historische contexten en zijn niet los daarvan te beoordelen.
De waarde van zijn betoog ligt daarom minder in de rangorde en meer in de argumentatie. Door islam te analyseren als een systeem van ethiek, gemeenschap en kennis, nodigt hij uit tot inhoudelijke vergelijking in plaats van polemiek. In pluralistische samenlevingen is dat wellicht de meest relevante bijdrage: niet de claim van superioriteit, maar de bereidheid om religie te bespreken als intellectueel en maatschappelijk fenomeen.
