25 februari 1980 – Tussen revolutie en rouw

Op 25 februari 1980 pleegde een groep van zestien onderofficieren van het Surinaamse leger onder leiding van Desi Bouterse een staatsgreep tegen de democratisch gekozen regering van premier Henck Arron. De actie, die begon met de bezetting van strategische punten in Paramaribo, waaronder de Memre Boekoe-kazerne en radiostations, leidde tot de afzetting van de regering en de opschorting van de parlementaire democratie. 

Wat door de coupplegers werd gepresenteerd als een correctie op corruptie en bestuurlijke verlamming, betekende in de praktijk het begin van een militaire machtsperiode die de politieke, economische en maatschappelijke ontwikkeling van Suriname diepgaand heeft beïnvloed.

De directe gevolgen waren ingrijpend. De grondwet werd buiten werking gesteld, politieke partijen werden gemarginaliseerd en de macht concentreerde zich in handen van de Nationale Militaire Raad. In december 1982 escaleerde de situatie met de executie van vijftien tegenstanders van het regime, een gebeurtenis die internationaal werd veroordeeld en leidde tot diplomatieke isolatie en stopzetting van ontwikkelingshulp, met name vanuit Nederland. In de jaren die volgden kampte het land met economische neergang, kapitaalvlucht en een afnemend vertrouwen in rechtsstatelijke instituties. 

De Binnenlandse Oorlog tussen het Nationaal Leger en het Junglecommando van Ronnie Brunswijk (1986–1992) bracht verdere destabilisatie en menselijk leed.

Tegenover deze negatieve balans staat het argument van voorstanders dat de periode na 1980 ook een bewustwording heeft gecreëerd over nationale soevereiniteit en zelfstandigheid. Sommigen wijzen op pogingen tot herstructurering van het staatsapparaat en op een sterker nationalistisch discours dat afstand nam van koloniale invloeden. Voor een deel van de bevolking, met name aanhangers van de Nationale Democratische Partij, blijft 25 februari een “Dag van de Revolutie”: een moment waarop volgens hen de militairen ingrepen tegen vermeende corruptie, nepotisme en sociaal-economische stagnatie in de jaren na de onafhankelijkheid van 1975.

De perceptie onder burgers is echter verdeeld en generatiegebonden. Voor velen staat de datum symbool voor het begin van autoritair bestuur, censuur en angst. 

Nabestaanden van slachtoffers van de Decembermoorden en getroffen gemeenschappen in het binnenland ervaren de dag primair als een moment van verlies. Jongere generaties, die de gebeurtenissen niet bewust hebben meegemaakt, benaderen 25 februari vaker pragmatisch: als een historisch feit dat vooral moet worden geanalyseerd in plaats van herdacht of gevierd. De maatschappelijke discussie is daardoor minder zwart-wit dan in de jaren tachtig en negentig, maar blijft geladen.

De recente beslissing van de regering van president Simons om af te zien van het opnieuw instellen van 25 februari als nationale vrije dag kan worden geïnterpreteerd als een poging tot depolitisering van de datum. Het opnieuw formaliseren van de dag als nationale feestdag zou impliciet erkenning geven aan de coup als legitieme historische breuk. Door afstand te nemen, positioneert de regering zich eerder in lijn met constitutionele continuïteit en democratische beginselen. 

In een tijd waarin institutionele stabiliteit, investeringsklimaat en internationale reputatie cruciaal zijn, kan het herwaarderen van een militaire staatsgreep als nationale feestdag als contraproductief worden gezien.

Binnen kringen van de NDP en vooral onder groepen die zichzelf beschouwen als “de revo-groep” leeft een ander narratief. Voor hen vertegenwoordigt 25 februari een ideologisch moment van emancipatie. Zij benadrukken dat de militairen destijds handelden uit frustratie over lage salarissen, gebrekkige rechtspositie en politieke arrogantie. In hun lezing was de revolutie een noodzakelijke correctie op een falend civiel bestuur. Dat deze dag niet langer als nationale vrije dag wordt erkend, wordt door sommigen ervaren als een poging tot herschrijving van de geschiedenis en als marginalisering van hun bijdrage aan de nationale ontwikkeling.

Tegelijkertijd kan men betogen dat historische legitimiteit niet voortvloeit uit formele feestdagen, maar uit open debat en kritische reflectie. Indien 25 februari geleidelijk verdwijnt uit het collectieve geheugen, dreigt vereenvoudiging: het reduceren van complexe gebeurtenissen tot slogans. Het risico van vergetelheid is dat lessen over de kwetsbaarheid van democratische instituties verloren gaan. Het risico van verheerlijking is dat ongrondwettelijke machtsgrepen worden genormaliseerd.

De kernvraag blijft of 25 februari een dag van vreugde of berouw is. Empirisch bezien markeert de datum het einde van een democratisch mandaat en het begin van militair bestuur. Moreel bezien hangt de interpretatie af van de waarde die men hecht aan procedurele democratie versus revolutionaire correctie. Politiek bezien is de dag een blijvend referentiepunt in partijvorming en electorale mobilisatie.

Een volwassen omgang met 25 februari vereist erkenning van feiten: een staatsgreep vond plaats; democratische instituties werden opgeschort; mensenrechtenschendingen volgden; internationale relaties verslechterden; maar ook dat delen van de bevolking het moment destijds als noodzakelijke interventie beschouwden. Een redactionele positie kan daarom niet louter celebrerend of veroordelend zijn. Zij moet constateren dat nationale eenheid niet ontstaat door het uitwissen van omstreden data, maar door transparantie, rechtsstatelijke bevestiging en educatie.

Indien 25 februari in de toekomst vooral een historische datum in studieboeken wordt, zonder officiële status als vrije dag, betekent dat niet dat de dag betekenis verliest. Het betekent dat Suriname kiest om zijn staatsrechtelijke fundamenten te baseren op democratische legitimiteit in plaats van militaire interventie. De blijvende relevantie van 25 februari ligt niet in ceremonie, maar in de waarschuwing die zij biedt: dat macht zonder constitutionele verankering fragiel is en dat politieke onvrede binnen institutionele kaders moet worden opgelost.

Zo blijft 25 februari 1980 geen gesloten hoofdstuk, maar een toetssteen voor de democratische volwassenheid van Suriname.

error: Kopiëren mag niet!