In Suriname wordt armoede vaak behandeld als een persoonlijk falen. Alsof de marktverkoper, de leerkracht of de kleine landbouwer collectief heeft besloten om economisch onbekwaam te zijn. De werkelijkheid is minder romantisch. Structurele begrotingstekorten, zwakke controle op staatsuitgaven en politieke benoemingen op basis van loyaliteit in plaats van competentie produceren voorspelbare uitkomsten: inefficiëntie, verspilling en wantrouwen.
Neem staatsbedrijven waar Raden van Commissarissen vaker politieke kleur dan technische expertise tonen. Of projecten die met grote aankondigingen starten, maar zonder transparante aanbesteding eindigen in kostenoverschrijdingen. Intussen stijgen prijzen sneller dan inkomens en wordt koopkracht uitgehold. Toch blijft het narratief dat burgers “harder moeten werken”.
Corruptie functioneert zelden openlijk; zij opereert via tussenpersonen, bevriende aannemers en adviseurs die opvallend vaak dezelfde achternamen dragen. Beleidskeuzes worden dan geen instrumenten van ontwikkeling, maar van distributie binnen een netwerk.
Armoede is in dit model geen oorzaak, maar gevolg. Wanneer instellingen zwak zijn, verschuift risico naar de burger. De ironie is dat dezelfde bestuurders die structurele problemen creëren, vervolgens armoedebestrijding als verkiezingsbelofte presenteren.
Het probleem is dus niet de arme. Het probleem is een systeem waarin verantwoordelijkheid diffuus wordt gemaakt, terwijl voordelen opvallend geconcentreerd blijven.
