Er was eens. Nee, dit is geen sprookje, al zal wat ik nu ga vertellen uitstekend passen in een sprookjesboek. Er was eens een land waar de leiders het volk plechtig vertelden dat de staatskas leeg was. Het volk moest zuinig zijn en “de schouders eronder” zetten. En het geschiedde. Het volk zette de schouders recht en trok de buikriemen strak .
Toen verscheen op een dag de salarisslip van de procureur-generaal met meer dan één miljoen SRD netto per maand. Het was geen bonus of projectvergoeding voor buitenlandse consultancy. Het was een wettelijk goedgekeurd salaris met terugwerkende kracht ook nog. En zoals vooraf netjes geregeld, stegen de andere machten gezellig mee als een luchtballon. In Suriname is de trias politica niet alleen een staatsrechtelijk principe maar bevat ook een collectieve loonregeling.
Plotseling leek ons landje niet meer op een republiek, maar op een 18e-eeuws hof. Aan de ene kant hebben we de moderne adel; De regering, DNA-leden en functionarissen van de rechterlijke macht, beschermd door wetten die zij zelf aannemen. Aan de andere kant hebben we “We the People”, het plebs of wij “het arme volk “. Leerkrachten die krijt kopen van hun eigen salaris, verpleegkundigen die overuren draaien om uit te komen, gepensioneerden en huismoeders die uitrekenen of het brood vandaag of de EBS-rekening morgen belangrijker is.
Het bijzondere is dat niemand iets illegaals heeft gedaan. Alles is volgens de wet gegaan. En precies dat maakt het zo zuur. Want waar Koning Lodewijk XIV vroeger zei “l’état, c’est Moi”, de Staat, dat ben ik “zegt de Staat Suriname; “het staat in het Staatsblad.”
Als het volk vraagt hoe een bijna lege staatskas ineens bijna miljarden SRD kan uitkeren aan salarissen, volgt een vertrouwde uitleg dat het systeem zo is ontworpen. Alsof de wet een natuurverschijnsel is, zoals de bliksem, en niet het resultaat van onverantwoordelijke menselijke besluitvorming.
Af en toe klinkt de ongeloofwaardige roep dat men “de wet zal herzien”. Dat is een zoethoudertje, omdat wij beseffen dat dezelfde mensen die de wet hebben goedgekeurd dit zogenaamd gaan aanpassen, terwijl het geld reeds is overgemaakt. Hier komt het woord dat in menige gedachten steeds vaker valt: Diabolica. “Deng politiek mang na Didibri”, vatte Oom Herman het kernachtig samen. Niet in religieuze zin, maar met juridische ironie. Het Latijnse diabolus betekent ook “scheiding” of “uiteendrijving”. En dat is precies wat het volk voelt; namelijk de scheiding tussen bestuur en burger.
De nieuwe adel onder aanvoering van de Prinsen en Prinsesjes in de DNA heeft deze keer de macht over het volk niet mondeling uitgeroepen. Het is stiekem gepubliceerd in het Staatsblad en in vele miljoenen uitgekeerd. Dit is extreem kwaadaardig. Het getergd volk kijkt weer machteloos toe.
