In Australië kost een pakje sigaretten inmiddels circa 40 Australische dollar. De redenering is klassiek: verhoog de prijs, verlaag de vraag. Onderzoek bevestigt dat vooral jongeren en lage inkomensgroepen gevoeliger zijn voor prijsstijgingen. Minder legale verkoop betekent in theorie gezondheidswinst.
In de praktijk ontstaat echter een parallel circuit waarin smokkel en namaak floreren. De staat wint aan morele overtuiging, maar verliest aan belastingcontrole.
Wie denkt dat dit fenomeen zich beperkt tot verre continenten, hoeft slechts naar Suriname te kijken. Enkele jaren geleden werden invoerrechten op legale sigaretten verhoogd. Het gevolg laat zich economisch eenvoudig verklaren: het officiële importvolume daalde en daarmee ook de invoerrechten. Tegelijk groeide het aandeel zogenoemde smokkelwaar. De markt corrigeert waar beleid abstraheert.
Wanneer iemand wordt betrapt met illegale sigaretten, kwalificeert dit als economisch delict. Na betaling van een boete volgt doorgaans geen strafrechtelijke vervolging. Het risico wordt daarmee voorspelbaar en calculeerbaar. In economische termen: lage pakkans, beperkte sanctie, hoge marge. Dat is geen misdaadverhaal maar een bedrijfsmodel.
De overheid verhoogt tarieven in naam van volksgezondheid, maar creëert een prijsverschil dat ondernemerschap in de schaduw stimuleert. De staatskas loopt invoerrechten mis, terwijl de informele sector miljoenen circuleert buiten regulering. Het spanningsveld tussen beleid en praktijk blijft bestaan zolang handhaving niet evenredig meegroeit met fiscale ambitie. In dat vacuüm bloeit niet de volksgezondheid, maar de logistiek van de achterdeur.
