In Suriname heet politiek officieel een roeping, maar functioneel lijkt het meer op een tijdelijke concessie. Vier jaar. Geen eeuwigheid, geen levenswerk, maar een strak afgebakend raam waarin alles moet gebeuren. Niet voor het land, maar voor zichzelf. Het volk is decor, de gemeenschap een achtergrondfoto voor campagneposters.
De politicus arriveert met grote woorden over dienstbaarheid, transparantie en offers. Hij vertrekt met nieuwe titels, netwerken, voertuigen en een cv dat plotseling zwaar weegt. Idealen blijken verrassend flexibel zodra macht bereikbaar is. Principes zijn geen ankers, maar accessoires die men wisselt naargelang de wind.
In dat vierjarig venster wordt efficiënt gewerkt. Vrienden krijgen posities, loyaliteit wordt beloond, stilte wordt gekocht. Problemen worden niet opgelost, maar beheerd tot na de volgende verkiezing. Structurele hervormingen zijn riskant; korte termijn zichtbaarheid levert meer op. Het land moet wachten, de carrière niet.
Wanneer kritiek klinkt, volgt het standaard antwoord: “Geduld.” Alsof geduld rente oplevert. Alsof gezinnen kunnen leven van beloftes en toespraken. De gemeenschap wordt aangesproken op begrip, terwijl eigenbelang met opmerkelijke voortvarendheid wordt geregeld.
En na vier jaar? Dan begint het ritueel opnieuw. Nieuwe slogans, oude gezichten, dezelfde honger. Politiek als seizoenswerk. De oogst is privé, de rekening collectief.
