Op 14 februari 1989 vaardigde de Iraanse opperleider, ayatollah Ruhollah Khomeini, een doodvonnis uit over de Indiase auteur Salman Rushdie nadat de publicatie van zijn roman “De Satanische Verzen” een storm van verontwaardiging onder moslims had ontketend, van wie velen het boek als godslasterlijk beschouwden.
De controverse zou de grenzen van de vrije meningsuiting in een multiculturele, multireligieuze wereld op de proef stellen.
Rushdie begreep waarschijnlijk dat hij controverse op de hals haalde toen hij een roman met die titel publiceerde. Het boek bespotte, of bevatte op zijn minst spottende verwijzingen naar, de profeet Mohammed en andere aspecten van de islam, naast een personage dat duidelijk gebaseerd was op de opperleider van Iran.
Na maanden van publieke onrust over het boek gaf de ayatollah wellicht het krachtigste antwoord dat mogelijk was, door “alle dappere moslims” op te roepen Rushdie en zijn uitgevers te vermoorden.
In 1998 verklaarde de Iraanse regering dat ze de moord op Rushdie noch zou “steunen noch belemmeren”.
