Suriname behandelt zijn artsentekort al decennialang als een incident, terwijl het in werkelijkheid een structureel vraagstuk is. Wie de cijfers naast elkaar legt, ziet geen tijdelijke disbalans maar een chronische ondercapaciteit.
De norm van de Wereldgezondheidsorganisatie, WHO, van circa 2,3 artsen per 1.000 inwoners geldt als minimale ondergrens voor basiszorg. Hoogontwikkelde landen zitten ruim boven de 3 per 1.000. Met ongeveer 630.000 inwoners zou Suriname richting 1.450 praktiserende artsen moeten hebben om slechts de ondergrens te halen. De realiteit ligt daar aanzienlijk onder.
Historisch is dit geen verrassing. Tijdens de koloniale periode was medische zorg geconcentreerd in Paramaribo en enkele plantagegebieden. Het binnenland bleef structureel onderbedeeld. Na de onafhankelijkheid in 1975 vertrok bovendien een aanzienlijk deel van de hoger opgeleide beroepsbevolking naar Nederland, waaronder artsen. De militaire periode in de jaren tachtig versnelde die braindrain. Sindsdien heeft Suriname nooit een consistent langetermijnplan ontwikkeld om het artsenbestand systematisch uit te breiden en te behouden.
Regionaal toont vergelijking de relatieve achterstand. Landen als Barbados en Trinidad en Tobago hebben, ondanks kleinere bevolkingen, een hogere artsendichtheid per 1.000 inwoners. Guyana kampte jarenlang met vergelijkbare problemen, maar heeft de laatste jaren geĂŻnvesteerd in uitbreiding van medische opleidingen en partnerschappen met buitenlandse universiteiten. In Latijns-Amerika geldt Cuba als extreem voorbeeld: het land heeft een van de hoogste artsendichtheden ter wereld en exporteert zelfs medisch personeel. Suriname daarentegen was afhankelijk van die export om gaten in het eigen systeem te vullen.
Die afhankelijkheid bleek kwetsbaar. Medische samenwerking met Cuba bood jarenlang verlichting, vooral in het binnenland. Cubaanse artsen werkten in districten waar Surinaamse collega’s niet structureel wilden of konden blijven. Geopolitieke druk en internationale sancties maakten deze constructie echter minder stabiel. Het onderliggende probleem werd zichtbaar: Suriname leunt op externe oplossingen zonder de eigen opleidingscapaciteit structureel te versterken.
De gevolgen voor de volksgezondheid zijn concreet. Een tekort aan artsen vertaalt zich in langere wachttijden, latere diagnoses en beperkte preventie. Chronische aandoeningen zoals diabetes en hypertensie worden minder effectief gemonitord, waardoor complicaties toenemen. Infectieziekten verspreiden zich sneller wanneer primaire zorg onvoldoende bereikbaar is. In het binnenland betekent afstand tot medische voorzieningen vaak dat klachten pas in een vergevorderd stadium worden behandeld.
De economische impact blijft onderbelicht. Gezondheid en productiviteit zijn direct verbonden. Wanneer werknemers vaker ziek zijn of langer herstellen door vertraagde behandeling, daalt het aantal productieve werkdagen. Volgens internationale studies kost een hoge ziektelast landen meerdere procentpunten van hun bruto binnenlands product.
Voor een kleine economie als Suriname, waar de formele arbeidsmarkt relatief beperkt is, kan een stijging van ziekteverzuim disproportionele effecten hebben. Minder productieve dagen betekenen lagere belastinginkomsten, hogere sociale lasten en verminderde investeringsbereidheid.
Een gezondheidsdeskundige, dr. R. Mahadew, stelt dat het debat te vaak beperkt blijft tot aantallen. “Het gaat niet alleen om hoeveel artsen we hebben, maar waar ze werken en onder welke omstandigheden. Zonder strategische planning blijft elk nieuw cohort een tijdelijke pleister.” Volgens hem moet de oplossing bestaan uit een combinatie van maatregelen: uitbreiding van opleidingsplaatsen, gerichte stimulansen voor schaarse specialisaties en binding van afgestudeerden via contractuele verplichtingen voor het binnenland.
Internationale voorbeelden tonen dat uitbreiding van medische opleidingen politieke weerstand kan oproepen. In Zuid-Korea leidde een voorstel om het aantal opleidingsplaatsen fors te verhogen tot protesten van artsen die kwaliteitsverlies vreesden. Toch onderstreept het voorbeeld dat zelfs hoogontwikkelde landen anticiperen op toekomstige tekorten. Planning gebeurt daar tien tot twintig jaar vooruit. Suriname reageert meestal wanneer het tekort al voelbaar is in wachtruimtes en spoedeisende hulpen.
Naast uitbreiding van artsenopleidingen ligt er ruimte in taakverschuiving. Nurse practitioners en physician assistants kunnen bepaalde medische handelingen overnemen, waardoor artsen zich richten op complexere zorg. Digitale consulten kunnen geografische barrières verkleinen. Investeringen in moderne infrastructuur en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden verminderen de prikkel tot emigratie. Want braindrain blijft een stille factor. Een jonge arts die in Nederland of Canada aanzienlijk betere werkomstandigheden en salarissen vindt, maakt een rationele keuze.
Satirisch bezien behandelt Suriname artsen als ware het zeldzame mineralen: men ontdekt pas hun waarde wanneer de voorraad bijna uitgeput is. Terwijl bij goud en olie onmiddellijk strategische plannen worden opgesteld, lijkt medische capaciteit een kostenpost in plaats van een productieve investering. Het resultaat is voorspelbaar: overbelasting van bestaand personeel, kwaliteitsdruk en toenemende ongelijkheid tussen stad en binnenland.
Structurele stagnatie dreigt wanneer gezondheidssystemen achterblijven. Zonder gezonde bevolking geen stabiele arbeidsmarkt, zonder stabiele arbeidsmarkt geen duurzame economische groei. Het artsentekort is daarom geen louter medisch vraagstuk, maar een macro-economische variabele.
De oplossing vereist politieke consistentie over meerdere kabinetsperiodes heen. Opleiden kost tijd, behouden vraagt visie en investeren vraagt prioriteitstelling. Een nationaal meerjarenplan voor medische capaciteit, gekoppeld aan duidelijke doelstellingen per 1.000 inwoners, kan richting geven. Zonder dergelijke planning blijft het debat terugkeren in cycli van verontwaardiging en tijdelijke noodmaatregelen.
Gezondheidszorg is geen luxe voorziening maar een fundament van nationale stabiliteit. Wie artsen blijft beschouwen als bijkomende uitgave, zal uiteindelijk de hogere rekening betalen in verloren levensjaren, gemiste werkdagen en afnemende economische dynamiek.
