25 Februari: Van revolutie tot werkdag – en de nervositeit van de erfenis

Toen president Jennifer Simons verklaarde dat 25 februari geen nationale vrije dag wordt, leek het op het eerste gezicht een administratieve correctie. In werkelijkheid markeert het een breuk met een beladen hoofdstuk uit de moderne Surinaamse geschiedenis. 

De datum verwijst naar de staatsgreep van 25 februari 1980, toen een groep militairen onder leiding van Desi Bouterse de regering van premier Henck Arron afzette. Wat begon als een “sergeantenrevolutie” groeide uit tot een periode van militair gezag, culminerend in de Decembermoorden van 1982 en een langdurige erosie van rechtsstatelijke instituties.

In latere jaren kreeg 25 februari verschillende politieke etiketten: Dag der Revolutie, vervolgens Dag van Bevrijding en Vernieuwing. Onder sommige regeringen werd de dag administratief gelijkgesteld aan een zondag, een compromis tussen herdenking en terughoudendheid. Juridisch bleef de status diffuus. Dat Simons de dag nu niet opnieuw verankert als nationale vrije dag, is geen verbod op herinnering, maar een ontkoppeling van staatsmacht en revolutionaire symboliek.

De onvrede binnen het Bouterse-kamp is reëel. De Commissie Desi Bouterse pleitte voor rehabilitatie van de datum als nationaal symbool. Voor veel aanhangers fungeert 25 februari niet louter als historische verwijzing, maar als identiteitsanker. In politieke termen betekent het verlies van een officiële herdenkingsdag het verlies van institutionele erkenning. Het is de overgang van staatscanon naar partijnarratief. Satirisch gesteld: de revolutie moet voortaan zonder podium, zonder vlag en zonder betaalde vrije dag.

De interne dynamiek binnen de Nationale Democratische Partij verdient bijzondere aandacht. Simons is zelf afkomstig uit de NDP, maar haar besluit plaatst haar in een positie van bestuurlijke autonomie ten opzichte van de traditionele machtskern rond Bouterse. Dat creëert spanning. Politieke geschiedenis leert dat interne dissidentie vaak gevaarlijker is dan externe oppositie. 

De parallellen met 1998 zijn instructief. 

Toen ontsloeg president Jules Wijdenbosch zijn voormalige mentor Bouterse als adviseur van staat. De reactie binnen de partijstructuur was fel. Het leidde tot interne confrontaties, machtsstrijd en een verzwakking van Wijdenbosch’ positie.

De les uit 1998 is niet dat geschiedenis zich identiek herhaalt, maar dat symbolische breuken binnen politieke bewegingen machtsverhoudingen verschuiven. Simons’ besluit kan door hardliners worden geïnterpreteerd als distantiëring van het revolutionaire erfgoed. Voor pragmatici binnen de partij is het een noodzakelijke stap richting bestuurlijke normalisering. 

Voor radicalere elementen kan het worden gezien als verraad aan de oorsprong. Dat spanningsveld vormt een potentieel risico op intern verzet, variërend van partijpolitieke obstructie tot reputatieschadecampagnes.

Daarbij komt de persoonlijke erfenis van Bouterse. Zijn weduwe, verkozen als DNA-lid, heeft tot dusverre weinig zelfstandig politiek gewicht opgebouwd buiten haar symbolische waarde. De institutionele logica van het parlement is onverbiddelijk: invloed wordt gemeten in wetsvoorstellen, coalitievorming en beleidsresultaten, niet in achternamen. De verwachting van dynastieke continuïteit botst met de realiteit van parlementaire aritmetiek.

Ook de internationale dimensie speelt mee. Bouterse werd in Suriname veroordeeld voor zijn rol in de Decembermoorden. Zijn zoon, Dino Bouterse, werd in de Verenigde Staten veroordeeld wegens betrokkenheid bij grootschalige cocaïnehandel en wapenafspraken met een organisatie die door de VS als terroristisch werd aangemerkt. Deze feiten ondermijnen structureel elke poging tot politieke rehabilitatie via symbolische staatsdagen. Internationale legitimiteit en rechtsstatelijke geloofwaardigheid zijn moeilijk verenigbaar met institutionele verheerlijking van een omstreden machtsperiode.

Het veiligheidsaspect mag in dit krachtenveld niet worden onderschat. Historisch gezien gingen politieke breuken rond de erfenis van 1980 gepaard met verhitte retoriek en maatschappelijke polarisatie. Cruciale momenten waarin symbolen worden herschikt, vragen om verhoogde waakzaamheid. Niet uit angst voor onmiddellijke instabiliteit, maar uit erkenning dat interne fragmentatie binnen machtsblokken onvoorspelbare reacties kan genereren. De veiligheid rond de president dient in dergelijke fasen proportioneel maar zichtbaar te worden aangescherpt. Preventie is in politieke transities rationeler dan reactief optreden.

Satirisch bezien is de ironie dat een revolutie, ooit gelegitimeerd als breuk met koloniale en burgerlijke structuren, nu zelf wordt genormaliseerd tot een werkdag. Geen toespraken, geen parades, geen officiële protocollen. De kalender absorbeert de revolutie en reduceert haar tot historische datum. Wat resteert is herinnering zonder staatssteun.

De kernvraag is niet of 25 februari herdacht mag worden, maar of de staat verplicht is haar te vieren. Simons heeft impliciet gekozen voor institutionele continuïteit boven symbolische nostalgie. Daarmee positioneert zij zich als bestuurder eerder dan erfgenaam. De politieke prijs van die keuze zal afhangen van haar vermogen interne partijspanningen te managen en publieke stabiliteit te waarborgen.

De geschiedenis van Suriname toont dat machtsverhoudingen zelden statisch zijn. De staatsgreep van 1980, de binnenlandse onrust van de jaren tachtig, de partijconflicten van de jaren negentig en de juridische afwikkelingen van de jaren daarna vormen geen losse episodes maar schakels in een langere institutionele evolutie. Door 25 februari niet langer als nationale vrije dag te erkennen, wordt geen verleden uitgewist, maar wordt het hiërarchisch herplaatst.

Een werkdag kan in politieke zin zwaarder wegen dan een nationale feestdag. In de stilte van administratieve besluiten ligt soms meer revolutie dan in de luidste manifesten.

error: Kopiëren mag niet!