Elke avond om acht uur zit Suriname klaar. Niet omdat iedereen zo dol is op nieuws, maar omdat de staatsmedia weer uitleggen waarom alles goed gaat, zelfs als de stroom net is uitgevallen. De presentator glimlacht strak, alsof hij persoonlijk verantwoordelijk is voor het nationale optimisme. “Landgenoten”, zegt hij, “de situatie is stabiel.” Welke situatie precies, dat blijft flexibel.
In het staatsjournaal regent het succesverhalen. Projecten zijn “bijna afgerond”, maatregelen “in uitvoering” en problemen “tijdelijk”. Tijdelijk is hier een rekbaar begrip, ergens tussen morgen en het hiernamaals.
Kritische vragen bestaan wel, maar wonen meestal in het buitenland of zijn net op vakantie wanneer de camera draait.
De Surinamer thuis weet beter. Die hoort tussen de regels door. Als de minister zegt dat er geen reden tot paniek is, zet men alvast water in emmers. Als er wordt gesproken over transparantie, kijkt men automatisch of de gordijnen dicht zijn. Het is geen wantrouwen, het is ervaring.
Toch hebben de staatsmedia ook een functie. Ze brengen rust. Je hoeft zelf niet meer na te denken, dat wordt netjes voor je gedaan. En mocht je toch twijfelen, geen probleem: morgen komt er weer een nieuw verhaal, met dezelfde geruststellende toon. Zo blijft Suriname lachen. Met humor, wantrouwen en altijd een beetje peper.
