Waarom de tijdelijke invoerstop van pluimveevlees verstandig is

De beslissing van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) om tijdelijk geen vergunningen te verstrekken voor de invoer van vers gekoeld en bevroren pluimveevlees uit risicogebieden, is ingrijpend, maar verdedigbaar. Ingrijpend omdat zij direct raakt aan importeurs, producenten en consumenten. Verdedigbaar, omdat het hier gaat om het afwenden van een risico dat, eenmaal werkelijkheid geworden, nauwelijks nog te beheersen is. Vogelgriep is geen administratief probleem, maar een sectorvernietigende dierziekte met grote economische en maatschappelijke gevolgen.

Hoogpathogene vogelgriep circuleert al jaren in golven in verschillende delen van de wereld. Europa wordt vrijwel jaarlijks geconfronteerd met uitbraken, met name in landen met een intensieve pluimveehouderij zoals Nederland, Duitsland, Frankrijk en delen van Oost-Europa. Ook in Noord-Amerika, met name de Verenigde Staten, zijn de afgelopen jaren grootschalige besmettingen gemeld.

In Latijns-Amerika, waaronder delen van Brazilië, zijn eveneens uitbraken vastgesteld, zij het regionaal en wisselend in intensiteit. Het patroon is steeds hetzelfde: migrerende vogels brengen het virus binnen, waarna commerciële bedrijven worden getroffen. Geen enkel land met een open handels- en transportsysteem kan zich volledig immuun verklaren.

Voor Suriname, waar de pluimveesector relatief klein maar strategisch belangrijk is, zou een lokale uitbraak desastreus zijn. Bij een bevestigde besmetting is de standaardmaatregel het ruimen van bedrijven. Dat betekent niet alleen het doden van besmette dieren, maar vaak ook van gezonde dieren in de omgeving. Productie valt stil, bedrijven gaan failliet, werknemers raken hun inkomen kwijt en de staat moet noodmaatregelen treffen. Bovendien zou Suriname bij een uitbraak zelf zijn vogelgriepvrije status verliezen, wat export en regionale handel verder zou bemoeilijken.

De financiële schade die vogelgriep elders heeft veroorzaakt, is goed gedocumenteerd. In Europa hebben uitbraken geleid tot verliezen van honderden miljoenen euro’s door ruimingen, compensaties en productieverlies. 

In de Verenigde Staten werden in eerdere golven tientallen miljoenen kippen en kalkoenen geruimd, met directe schade voor boeren en forse prijsstijgingen voor consumenten. Ook de overheid wordt geraakt, omdat compensatie en controlemaatregelen zwaar drukken op de begroting. Voor een land als Suriname, met beperkte financiële buffers, zou een dergelijke crisis onevenredig zwaar uitpakken.

Tegen die achtergrond is de preventieve stap van LVV-minister Mike Noersalim logisch. Preventie is bij dierziekten geen luxe, maar een noodzaak. Wachten tot het virus daadwerkelijk binnen is, betekent in feite accepteren dat de schade zal volgen. Door nu tijdelijk strenger te zijn op invoer uit risicogebieden, wordt de kans op insleep verkleind. Niet weggenomen, maar wel geminimaliseerd. Dat is precies wat verantwoord beleid hoort te doen: risico’s beperken voordat ze onbeheersbaar worden.

Belangrijk is ook dat de maatregel niet absoluut is. ‘Processed’ pluimveeproducten die een verhittingsproces hebben ondergaan, blijven toegestaan, omdat wetenschappelijk is vastgesteld dat het virus daarbij wordt geïnactiveerd. Ook voor broedeieren is niet gekozen voor een totaalverbod, maar voor aangescherpte voorwaarden. Invoer uit Nederland is voorlopig alleen via zeevracht toegestaan, en er wordt gewezen op alternatieve herkomstlanden zoals de Verenigde Staten en Brazilië. Dat laat zien dat het ministerie probeert een balans te vinden tussen volksgezondheid, diergezondheid en economische continuïteit.

De zorgen van de Associatie Pluimveesector Suriname zijn begrijpelijk. Bestellingen voor broedeieren worden maanden van tevoren geplaatst en zijn gebaseerd op langlopende relaties met leveranciers. Een plotselinge wijziging kan leiden tot vertragingen, hogere kosten en onzekerheid in de keten. Die zorgen verdienen serieuze aandacht en voortdurende dialoog. 

Tegelijkertijd moet worden erkend dat het belang van de hele sector zwaarder weegt dan het ongemak van individuele schakels daarin.

Een vaak onderschat aspect is de afhankelijkheid van import. Suriname produceert naar schatting ongeveer 40 procent van zijn eigen kippenvlees. De rest wordt ingevoerd. Bij een lokale uitbraak zou die 40 procent in één klap kunnen wegvallen, waardoor het land volledig afhankelijk wordt van import, tegen hogere prijzen en met minder controle over kwaliteit en beschikbaarheid. Preventie beschermt dus niet alleen de boeren, maar ook de voedselzekerheid van de bevolking.

Daarnaast is er het gezondheidsaspect. Hoewel overdracht van vogelgriep op mensen zeldzaam is, is het risico niet nul. Elke uitbraak brengt extra druk op de veterinaire dienst en de gezondheidsautoriteiten. In een tijd waarin publieke diensten al zwaar belast zijn, is het vermijden van extra crises op zichzelf al een valide beleidsdoel.

De tijdelijke invoerstop moet daarom niet worden gezien als een anti-importmaatregel, maar als een beschermingsmaatregel. Zij past binnen een bredere beleidslijn waarin meer lokale productie wordt nagestreefd en kwetsbaarheden in de voedselketen worden verkleind. Dat vergt investeringen, planning en samenwerking met de sector, maar begint bij het beschermen van wat er al is.

Samengevat is de preventieve stap van LVV geen paniekreactie, maar een rationele keuze gebaseerd op internationale ervaring. De geschiedenis leert dat vogelgriep pas echt duur wordt als men te laat ingrijpt. In dat licht is tijdelijke strengheid goedkoper, verstandiger en uiteindelijk menselijker dan achteraf puinruimen.

error: Kopiëren mag niet!