Staatsgeschenken bestaan niet om laden te vullen in woonkamers van machthebbers. Ze zijn symbolen van diplomatieke relaties, tastbare notities van een ontmoeting tussen staten, gegeven aan een ambt, niet aan een persoon. Het correcte gebruik is helder: registratie, transparantie en publieke toegankelijkheid.
Een staat hoort ze te bewaren als cultureel en historisch bezit, niet te verhandelen als privé-erfstuk. In een volwassen bestuurscultuur belanden zulke geschenken in een nationaal museum, met vermelding van schenker, ontvanger, datum en context. Zo wordt diplomatie zichtbaar en controleerbaar.
In Suriname gebeurt vaak het omgekeerde. Staatsgeschenken verdwijnen naar huis, alsof de ambtswoning een opslag is en het ambt een eigendomsbewijs. Dat is geen misverstand maar een categorie-fout. Wie iets ontvangt “in functie” kan het niet “in privé” toe-eigenen. Dat heet diefstal met handschoenen aan. Goed fatsoen dicteert teruggave; goed bestuur eist regels en handhaving.
Een Surinaams museum zou de logische bestemming zijn, zodat burgers kunnen zien wie wat gaf, aan wie, wanneer en waarom. Transparantie werkt beter dan moraalpreken.
Wie denkt dat dit onschuldig is, kijkt naar Pakistan. Voormalig premier Imran Khan belandde in juridische problemen rond het verkopen en verzwijgen van staatsgeschenken. Geen folklore, maar vervolging. Het signaal was simpel: diplomatieke giften zijn geen persoonlijke bonuspunten. De cel bleek plots de meest sobere vitrinekast.
Satire helpt waar regels genegeerd worden. Stel je een staatsgeschenk voor als een diplomaat zonder paspoort: het hoort bij de staat, reist met het ambt en keert terug naar het archief. In Suriname krijgt het echter een logeerbed, gordijnen en soms een verhuiswagen.
De oplossing is niet ingewikkeld. Registreer alles, toon alles, bewaar alles publiek. Wie toch inpakt, pakt verkeerd uit. Transparantie is goedkoper dan schaamte, en musea zijn veiliger dan gevangenissen.
