Van landbouwgrond naar lege handen

Mijn vader werkte zijn hele leven op een stuk grond. Veeteelt, wat landbouw, niets groots, maar genoeg om ons gezin te dragen. Modder aan de laarzen, zon op het hoofd, elke dag opnieuw. Dat terrein was geen bezit op papier, het was een leven. Toen hij overleed, bleef ik hier. In Suriname. Ik ging door met wat hij deed, zoals het hoort.

Maar toen kwamen ze. Broers en zussen uit het buitenland. Ze wisten ineens precies wat het terrein “waard” was. Niet wat het betekende, nee, wat het kon opbrengen. Er werd gepraat over grondconversie, over een stichting, over “slimme constructies”. Slim voor wie?

De activiteiten stopten. Geen koeien meer, geen oogst, geen werk. Alleen papierwerk. Daarna werd het terrein verkocht. Het geld verdween richting buitenland, netjes overgemaakt. De overheid? Die keek toe en verdiende niets. De gemeenschap? Die verloor weer een productief stuk land.

En de koper? Die verkavelt. Maakt kavels, zet hoge prijzen, verkoopt aan mensen die ook weer geen landbouw doen. 

Alleen huizen, beton en winst. Zo verandert grond in goud voor enkelen en in lege handen voor velen.

We zeggen dat we landbouw willen stimuleren. Maar zolang dit mag, blijft het praten. De grond werkt niet meer. Alleen het geld loopt weg.

error: Kopiëren mag niet!