Een visionair luistert naar de woorden van president Jennifer Simons en knikt beleefd. Niet omdat de analyse fout is, maar omdat zij zo zorgvuldig om het echte probleem heen praat. Suriname is inderdaad niet arm aan grondstoffen. Dat weten we al sinds de eerste schop in de bodem ging. Wat ontbreekt in het verhaal is niet nog een opsomming van goud, hout en olie, maar een ongemakkelijke erkenning van wat structureel faalt: macht, controle en lef.
De president spreekt over “onvoldoende staatsinkomsten”, alsof die vanzelf verdampen in de lucht boven het bos.
Een visionair ziet iets anders. Hij ziet concessies die zijn weggegeven, contracten die nooit publiek zijn gemaakt, en sectoren die decennialang zijn behandeld als privé-ATM’s voor enkelen. Niet de rijkdom ontbreekt, maar de discipline om die rijkdom af te dwingen ten gunste van iedereen.
Het verlagen van royalty’s in de houtsector wordt gepresenteerd als slimme concurrentiepolitiek. Misschien is het dat ook. Maar een visionair vraagt waarom smokkel überhaupt aantrekkelijker was dan legaal exporteren. Dat is geen tariefprobleem, dat is een handhavingsprobleem. Geen marktprobleem, maar een gezagsprobleem.
Ook de goudsector krijgt een monetaire saus. Retentie, deviezen, reserves. Technisch correct, maar maatschappelijk leeg zonder transparantie. Wie controleert de volumes? Wie controleert de routes? Wie garandeert dat het goud dat “voor altijd weg is” ooit eerlijk is geteld voordat het verdween?
Wat ontbreekt is het woord dat zelden wordt uitgesproken: verantwoordelijkheid met consequenties. Niet moreel, maar juridisch en bestuurlijk. Een visionair weet dat een transitiefase geen natuurverschijnsel is. Het is een keuze. En elke keuze zonder breuk met oude gewoonten is gewoon uitstel met een vriendelijk gezicht.
Suriname is niet arm. Het is slecht beschermd tegen zichzelf.
