Statistieken zijn keurig opgevoed. Ze luisteren, knikken en zwijgen. Mensen niet. Wanneer een Surinaamse moeder over schulden praat, hoor je geen percentages, maar schaamte die zorgvuldig wordt verpakt in beleefde zinnen. Ze zegt niet dat ze tekortkomt; ze zegt dat ze “even moet schuiven”. Alsof armoede een meubelstuk is.
Haar schulden begonnen niet bij luxe. Geen verre reizen, geen dure auto, geen designerleven. Ze begonnen bij een kind met koorts, een baan die “tijdelijk” ophield, een elektriciteitsrekening die besloot zelfstandig te groeien. Elke rekening heeft een reden, maar geen enkel formulier vraagt daarnaar. Het formulier wil weten waar het misging. Bij haar. Altijd bij haar.
Het standaardadvies volgt snel: beter plannen. Dat klinkt verstandig, bijna vriendelijk. Alsof zij niet elke maand een wiskundige oefening uitvoert met rijst, huur en schoolgeld. Alsof ze niet vooruitdenkt tot op de laatste SRD. Alsof ziekte, ontslag en prijsstijgingen zich laten plannen via een huishoudboekje.
De satire wordt pijnlijk wanneer discipline wordt verward met inkomen. Wie geld heeft, heet verantwoordelijk. Wie het niet heeft, heet slordig. De moeder mag eerst uitleggen wat ze verkeerd deed, voordat iemand luistert naar wat er gebeurde. Hulp komt pas na boete, begrip pas na vernedering.
Ze leert zwijgen, want schulden zijn besmettelijk in gesprekken. Mensen kijken anders, praten zachter, adviseren harder. Haar kinderen leren vroeg wat “later” betekent. Later kopen we schoenen. Later gaan we naar de dokter. Later lossen we het op.
Zo krijgen schulden een gezicht, maar geen stem in beleid. Ze worden gezien als falen, niet als gevolg. En zolang armoede wordt uitgelegd als karakterprobleem, blijft pech verdacht en begrip schaars. De statistiek blijft netjes stil. De moeder betaalt.
