De redenering van NPS Assembleelid Poetini Atompai deze week in de Assemblee tijdens de behandeling van wetgeving inzake de rechterlijke macht, leest als een juridisch museumstuk dat per abuis in een hervormingsdebat is beland.
Het argument dat het Surinaamse recht “historisch” is gebaseerd op Nederlands recht en daarom logischerwijs zou moeten eindigen bij de Hoge Raad der Nederlanden, miskent wat rechtsontwikkeling inhoudt. Rechtsstelsels zijn geen familiestambomen die eeuwig erfelijk blijven; zij evolueren binnen hun eigen constitutionele, maatschappelijke en regionale context.
Dat Surinaamse juristen Nederlandse jurisprudentie raadplegen, is geen argument voor institutionele onderwerping, maar voor academische beïnvloeding, iets wat wereldwijd gebruikelijk is.
De afwijzing van de Caribbean Court of Justice als “ver weg en duur” klinkt pragmatisch, maar is inhoudelijk leeg. Toegang tot recht wordt niet bepaald door vliegkilometers, maar door procesrecht, financieringsmechanismen en institutionele onafhankelijkheid. Precies daarop is de CCJ gebouwd.
De suggestie dat politieke inmenging, onder meer ten tijde van president Chan Santokhi, kan worden opgelost door een buitenlandse hoogste rechter, is een categoriefout. Politieke druk verdwijnt niet door rechtsmacht te exporteren.
Ook het pleidooi voor een College van Procureurs-Generaal wordt gepresenteerd als wondermiddel, zonder bewijs dat meer hoofden automatisch meer ruggengraat opleveren.
Macht fragmenteert niet vanzelf tot onafhankelijkheid. Dat deze visie afwijkt van het standpunt van NPS-fractieleider Jerrel Pawiroredjo is geen teken van diepgang, maar van interne conceptuele verwarring. Wat hier als hervorming wordt verkocht, is in feite juridische nostalgie met institutionele omwegen.
