Het Surinaams onderwijs kampt met structurele problemen waaronder de niet tijdige uitbetaling van door onderwijsgevenden gemaakte overuren, die steeds vaker tot spanningen leiden. Het gevolg? Stakingen als pressiemiddel, met duizenden leerlingen die hun recht op onderwijs tijdelijk verliezen.
De kwestie legt een fundamenteel spanningsveld bloot. Aan de ene kant staat het recht van kinderen op onderwijs, verankerd in het VN-Kinderrechtenverdrag (CRC). Aan de andere kant het recht van werkers met name leerkrachten op een eerlijk loon voor verricht werk, zoals vastgelegd in de ILO-conventie (International Labour Organization) over “decent work”. Twee rechten die in de praktijk lijken te botsen met elkaar.
Voor veel onderwijsgevenden is de staking geen keuze uit gemakzucht, maar een laatste redmiddel om hun stem te laten horen. De impact op leerlingen is echter groot. Vooral in het basisonderwijs, waar prestaties in taal en rekenen al achterblijven, betekent elke gemiste les een extra achterstand. Die achterstand werkt door naar het voortgezet onderwijs, waar de onderwijsgevenden vaker moeten bijspijkeren. In dit geval is er sprake van een vicieuze cirkel. Het probleem wordt versterkt door een structureel tekort aan leerkrachten op alle niveaus van het onderwijs. Nieuwe instroom blijft achter, terwijl ervaren krachten afhaken door frustratie en financiële onzekerheid. Daarmee dreigt het systeem zichzelf uit te hollen.
De vraag waar de balans ligt, blijft prangend. Weegt het recht op onderwijs van kinderen zwaarder dan het recht van leerkrachten op een eerlijk loon en tijdige betaling? Of is juist een rechtvaardige beloning de voorwaarde om kwalitatief onderwijs te kunnen garanderen?
Wat vaststaat: zolang de overheid geen structurele oplossing biedt, zullen stakingen en leerachterstanden elkaar blijven versterken. En in dat spanningsveld zijn zowel de onderwijsgevenden als de leerlingen de uiteindelijke verliezers.
