De gemiddelde levensverwachting in Suriname schommelt rond 71 tot 73,6 jaar en blijft daarmee duidelijk achter bij die van ontwikkelde landen zoals de Verenigde Staten, waar de levensverwachting in 2024 uitkwam op circa 79 jaar. Dit verschil is geen statistische afwijking of tijdelijk effect, maar het resultaat van diepgewortelde structurele factoren. Het gaat om beleidskeuzes, institutionele zwaktes en sociale omstandigheden die elkaar versterken en over meerdere generaties doorwerken.
Een kernfactor is de organisatie van de gezondheidszorg. Suriname kent formeel een systeem van basiszorg, maar de feitelijke toegankelijkheid en kwaliteit zijn ongelijk verdeeld. Specialistische zorg is geconcentreerd in Paramaribo, terwijl grote delen van het binnenland afhankelijk zijn van beperkte eerstelijnsvoorzieningen. Wachttijden, tekorten aan medisch personeel, verouderde apparatuur en een fragiele medicijnvoorziening ondermijnen de effectiviteit van zorg.
Preventieve geneeskunde krijgt structureel te weinig prioriteit. Screening op chronische aandoeningen, systematische follow up en risicoprofilering zijn beperkt, waardoor ziekten vaak pas in een laat stadium worden vastgesteld. Dit leidt direct tot hogere sterfte en lagere levensverwachting.
Daartegenover staat het zorgmodel in ontwikkelde landen, waar preventie een centrale pijler vormt. Vroegdiagnostiek, bevolkingsonderzoeken en data gebaseerde interventies verminderen sterfte door behandelbare aandoeningen aanzienlijk. Het verschil zit niet in medische kennis, maar in de institutionele capaciteit om die kennis consistent toe te passen.
Sociaaleconomische factoren vormen een tweede structurele laag. Een groot deel van de Surinaamse bevolking leeft met inkomensonzekerheid, informele arbeid en beperkte sociale bescherming. Deze omstandigheden genereren chronische stress, wat aantoonbaar samenhangt met hart- en vaatziekten, depressie en verminderde immuniteit.
Tegelijkertijd leidt armoede tot uitgestelde zorgconsumptie. Medische hulp wordt pas gezocht wanneer klachten ernstig zijn, vaak omdat kosten, reistijd of verlies van inkomen een drempel vormen.
Voeding is hierin een onderschatte maar cruciale factor. Gezonde, gevarieerde voeding is relatief duur en minder beschikbaar, terwijl goedkope alternatieven calorierijk en voedingsarm zijn. Dit vertaalt zich in een hoge prevalentie van diabetes type 2, hypertensie en obesitas. Deze aandoeningen zijn niet alleen individueel, maar maatschappelijk van aard. Ze weerspiegelen een falend samenspel tussen inkomensbeleid, voedselvoorziening en volksgezondheid.
Leefstijl en omgevingsrisico’s versterken deze patronen. Alcoholgebruik en roken liggen relatief hoog, terwijl verkeersveiligheid en arbeidsveiligheid structureel tekortschieten. Verkeersongevallen en geweld dragen disproportioneel bij aan vroegtijdige sterfte, vooral onder mannen. Het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen wijst op risicogedrag, zwaardere fysieke arbeid en een lagere zorgconsumptie door mannen. Dit is geen cultureel gegeven, maar het gevolg van gebrekkige preventieve strategieën en een zwakke publieke gezondheidscommunicatie.
De vergelijking met de Verenigde Staten is instructief, niet omdat dat land een ideaal model vormt, maar omdat recente trends laten zien wat beleidsmatige bijsturing kan opleveren. Na de sterke daling van de levensverwachting tijdens de Covid 19 pandemie is daar een herstel ingezet door gerichte interventies, betere monitoring van doodsoorzaken en investeringen in preventie en veiligheid. De stijging van de levensverwachting is geen toeval, maar het resultaat van systematische analyse en beleidscorrectie.
In Suriname ontbreekt die samenhangende aanpak grotendeels. Beleidsreacties zijn vaak reactief, versnipperd en afhankelijk van politieke cycli. Volksgezondheid wordt benaderd als kostenpost in plaats van als strategische investering. Zonder structurele hervormingen in preventie, gezondheidszorg, inkomenszekerheid en leefomgeving blijft de levensverwachting gevangen in marginale verbeteringen.
Korter leven in Suriname is geen biologisch of genetisch lot. Het is het meetbare gevolg van langdurige beleidskeuzes en institutionele zwakte. Zolang preventie ondergewaardeerd blijft, sociaaleconomische ongelijkheid voortduurt en gezondheidsbeleid geen langetermijnprioriteit krijgt, zal de kloof met ontwikkelde landen niet sluiten maar bestendigen.
