Wanneer de minister, president en leden van De Nationale Assemblee plotseling spreken over “donaties”, is dat geen teken van moreel ontwaken, maar van politieke noodzaak. Na felle kritiek op hun abnormale salarissen wordt niet de kern aangepakt, maar een omweg gekozen. Het woekerloon blijft intact; er wordt slechts een symbolisch fooi-ritueel opgevoerd. Alsof het probleem niet het bedrag zelf is, maar het ontbreken van een applaus moment.
De burger vraagt geen aalmoezen. De burger vraagt normaliteit. Een salaris dat in verhouding staat tot de economische realiteit waarin leraren, verpleegkundigen en ambtenaren dagelijks moeten overleven. In plaats daarvan krijgen we toneel. Politici die doen alsof zij “niet begrijpen” waar de woede vandaan komt, maar tegelijk met opgeheven hoofd aankondigen dat zij een deel van hun loon zullen schenken. Aan wie? Hoeveel? Wanneer? Dat weet niemand. Controle ontbreekt volledig. Transparantie is ingeruild voor vage beloftes en morele zelfverheerlijking.
Het is een bekend patroon. Eerst het onhoudbare verdedigen, daarna het medelijden regisseren. De boodschap is impliciet maar duidelijk: wees dankbaar dat wij iets teruggeven van wat wij zelf hebben goedgekeurd. Het politieke woord blijkt opnieuw geschreven op drijfzand. Vandaag een donatie, morgen vergeten.
Ondertussen blijft het systeem onaangetast.
Voor burgers voelt dit niet als solidariteit, maar als een belediging. Een donatie uit een woeker loon wordt ervaren als een misdaad met een strik eromheen. Het erkent niet de structurele ongelijkheid, maar maskeert die. Wie elke maand verder verarmt, heeft niets aan liefdadigheid die afhankelijk is van politieke goodwill.
De eis is simpel en consequent genegeerd: breng de lonen terug naar redelijke proporties. Niet tijdelijk. Niet symbolisch. Structureel. Tot die tijd blijft elke aangekondigde “gift” klinken als een echo in een lege zaal. Mooi verpakt, moreel leeg, en vooral bedoeld om de gever in de gunst van het volk te houden, niet om het onrecht te herstellen.
