De nacht hangt zwaar boven Paramaribo wanneer de man instapt. Hij maakt een kruisteken voordat hij gaat zitten, fluistert iets dat klinkt als een gebed.
“Naar huis”, zegt hij, maar noemt geen adres.
De taxi rijdt langs stille straten, een kapotte lantaarnpaal flikkert. Op de radio klinkt zacht een evangelisch lied. De man ademt diep, alsof elke adem pijn doet.
“Chauffeur… gelooft u in vergeving?”m vraagt hij ineens.
De chauffeur kijkt even in de spiegel. “Mi geloof”, antwoordt hij. “Maar God sabi tru.”
De man begint te praten. Over een nacht, jaren geleden. Drank. Woede. Een mes. Eén moment dat alles brak. Iemand die nooit thuiskwam. De zaak bleef onopgelost. Hij leefde verder, trouwde, kreeg kinderen, ging elke zondag naar de kerk. Maar elke nacht kwam die straat terug.
Zijn stem breekt. Tranen rollen zonder geluid.
“Ik bid”, zegt hij. “Maar mijn hart blijft zwaar.”
De taxi stopt bij een kleine kerk. Het licht brandt nog.
“Vandaag ga ik alles zeggen”, fluistert hij. “God eerst… daarna de wet.”
Hij stapt uit, maakt opnieuw een kruisteken.
De chauffeur blijft even zitten.
Sommige ritten eindigen niet bij een huis, maar bij de waarheid.
