Sinds het tragisch ongeluk waarbij kinderen zijn omgekomen, is er beweging. Niet op straat, niet in beleid, maar in lades. Overheidslades. Archiefkasten die jaren hermetisch gesloten waren, gaan ineens piepend open. Verdragen verschijnen, actieplannen, protocollen, richtlijnen. Alles blijkt al te bestaan. Alleen onder een laag stof die dik genoeg was om verantwoordelijkheid te dempen.
De ceremonies volgen elkaar snel op. Nieuwe beloftes, oude handtekeningen. Iedereen wil op de foto. Er wordt geduwd, gedrukt, strategisch gepositioneerd. Ministers voorop. Serieus gezicht, ingetogen blik. “Wij gaan het beter doen nu.” Dat het beter doen ook vóór het ongeluk had gekund, lijkt men collectief vergeten. Of misschien was het toen simpelweg niet fotogeniek genoeg.
Wetenschappers zijn inmiddels wakker. Rapporten worden aangehaald alsof ze gisteren zijn geschreven, terwijl ze al jaren waarschuwen. Blijkbaar was een abstract risico onvoldoende. Er moesten eerst doden vallen om de grafieken urgent te maken. Preventie is theoretisch interessant, tragedie is politiek bruikbaar.
Commentaar van experts vult de media. Er is consensus, eindelijk. Iedereen weet nu wat er moet gebeuren. De vraag wanneer blijft echter vaag. Want zodra de hype voorbij is, zodra de camera’s zich verplaatsen naar het volgende drama, schuiven de documenten weer terug. Netjes. Ordelijk. Terug in de lade.
Tot het volgende moment. Het volgende ongeluk. Het volgende afstoffen. Want in dit systeem is herinnering tijdelijk, verontwaardiging cyclisch en verantwoordelijkheid uitstelbaar. En de lade, die wacht geduldig. Altijd klaar om opnieuw geopend te worden
