Wanneer een minister opnieuw een belofte ondertekent voor betere kinderbescherming, klinkt dat op papier hoopgevend. Vanuit het perspectief van een VN-expert heeft deze belofte namelijk al lang gedaan. Niet moreel, maar juridisch.
Het land is partij bij het VN Kinderrechtenverdrag (Convention on the Rights of the Child), geratificeerd in 1993. Daarnaast onderschrijft Suriname het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderporno, evenals het Facultatief Protocol inzake kinderen in gewapende conflicten. Deze verdragen zijn geen intentieverklaringen, maar bindende verplichtingen.
Dat betekent dat de staat Suriname al meer dan dertig jaar verplicht is om kinderen te beschermen tegen mishandeling, verwaarlozing, uitbuiting en geweld, en om effectieve coördinatie tussen instanties te organiseren.
Het opstellen van “blauwdrukken”, het verbeteren van doorverwijzing en het afstemmen van verantwoordelijkheden zijn geen nieuwe inzichten, maar kernverplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het Kinderrechtenverdrag. De artikelen 3, 4 en 19 laten daar weinig ruimte voor interpretatie.
Waarom dan toch steeds opnieuw beloftes ondertekenen? In VN termen wijst dit op een structureel uitvoeringsprobleem. Politiek wordt vooruitgang graag verpakt in symboliek, omdat symboliek zichtbaar is en naleving dat niet altijd is. Een handtekening is sneller gezet dan een functionerend meldsysteem, een getrainde jeugdbeschermer of een goed gefinancierde ketenaanpak.
Satirisch gesteld lijkt kinderbescherming in Suriname soms op een abonnement dat elk kabinet opnieuw moet activeren, terwijl de rekening al decennialang loopt.
De kernvraag is dus niet waarom samenwerking wordt beloofd, maar waarom internationale verplichtingen pas serieus lijken te worden genomen wanneer ze opnieuw worden verpakt als nationaal initiatief. Kinderrechten vragen geen nieuwe belofte, maar consequente uitvoering.
