Inflatie 11,4 procent: statistisch rustgevend, praktisch onleefbaar

Inflatie van 11,4 procent klinkt op papier bijna als goed nieuws, zeker vergeleken met de chaosjaren 2021 tot en met 2023. Het probleem is dat inflatie geen thermometer is voor het dagelijks leven van burgers, maar een statistisch gemiddelde dat vooral rust moet uitstralen. 

Voor huishoudens betekent “lagere inflatie” niet dat iets goedkoper wordt, maar dat alles duurder blijft worden, alleen iets minder snel. Wie dat verschil niet voelt, bestaat uitsluitend in spreadsheets.

De expert weet dat koopkracht niet herstelt door lagere inflatie, maar door inkomens die sneller stijgen dan prijzen. Dat gebeurt niet. Integendeel. Basisuitgaven zoals voeding, wonen, energie en gezondheidszorg blijven structureel duur. Juist daar zit geen ruimte om te schrappen. 

De lichte prijsdaling bij groenten is cosmetisch en tijdelijk, terwijl vaste lasten permanent omhoog kruipen. Dat is geen inflatieprobleem, maar een inkomensprobleem.

De enorme verschillen achter het gemiddelde, met prijsstijgingen tot zeshonderd procent, verklaren de frustratie. De burger koopt geen “gemiddeld mandje”, maar rijst, olie, medicijnen en stroom. 

Het officiële cijfer zegt dat het meevalt. De kassabon zegt iets anders. Zo ontstaat beleid dat zichzelf feliciteert, terwijl de burger leert overleven. Dat is geen economisch herstel, maar statistische zelfkalmering.

error: Kopiëren mag niet!